Sterfte levend geboren baby’s het hoogst is in Nederland

0
422

Het risico op babysterfte is nergens in West-Europa zo hoog als in Nederland. Zowel met sterfte tijdens de zwangerschap als kort na de geboorte steekt Nederland ongunstig af. Dit blijkt uit Europees onderzoek dat vandaag in Parijs verschijnt. Vijf jaar geleden deed Nederland het al slecht in een eerder, vergelijkbaar Europees onderzoek. Toen ging het om 15 EU-landen, nu om 25 plus Noorwegen. Nederland behoorde historisch gezien bij de landen met de laagste perinatale en zuigelingensterfte ter wereld. Landen met hogere inkomens hebben lagere cijfers voor perinatale, zuigelingen– en moedersterfte dan landen met lagere inkomens (Stekelenburg, 2005).


Uit het rapport blijkt dat de sterfte van levend geboren baby’s in West-Europa het hoogst is in Nederland: hier sterven drie van elke duizend geboren baby’s. De sterfte van foetussen na de 22ste week van de zwangerschap is in Nederland op Frankrijk na het hoogst in Europa. Weliswaar is in Nederland de zogenoemde ‘perinatale’ sterfte – die optreedt vanaf de 22ste week van de zwangerschap tot 28 dagen na de geboorte – in vijf jaar afgenomen, maar in andere landen was die daling sterker. Alleen in Frankrijk en Letland ligt de perinatale sterfte hoger.


Het onderzoek geeft geen verklaring voor de slechte score. Wel zit Nederland in de middenmoot met vroeggeboorten, laag geboortegewicht en roken tijdens de zwangerschap, en scoort het hoog wat betreft meerlingen en oudere moeders. Het Europese onderzoek heeft niet gelet op etniciteit en sociaal-economische status. In Rotterdam bleek dit jaar dat bij allochtone vrouwen en vrouwen in achterstandswijken meer baby’s voor of kort na de bevalling sterven dan gemiddeld in Nederland. Ook het terughoudende Nederlandse beleid inzake prenatale tests op foetussen, om aangeboren afwijkingen of erfelijke ziektes op te sporen, zou een rol kunnen spelen. Bij ons op de redactie zijn we wel benieuwd naar de realtie tussen perinatale babysterfte en de methode van bevallen. Het valt ons op dat er nog steeds zeer gematigd gebruik wordt gemaakt van pijnstilling tijdens de bevalling en zijn sommige vrouwen dagen bezig te bevallen. Wij verwachten dat hier wellicht antwoorden te vinden zijn voor de resultaten uit dit onderzoek


Nederlandse trends minder gunstig dan elders in de EU

Nederland heeft zijn oorspronkelijke toppositie, met een lage zuigelingen– en perinatale sterfte, verruild voor een positie die onder het EU-gemiddelde ligt. De onderlinge verschillen zijn kleiner geworden. De absolute cijfers zijn vaak lastig vergelijkbaar vanwege verschillen in bijvoorbeeld registratie van sterfte of risicofactoren (Achterberg & Kramers, 2001, Buitendijk & Nijhuis, 2004, Achterberg, 2005).

De zuigelingensterfte in Nederland is de afgelopen decennia langzamer gedaald dan in de meeste andere Westerse landen (zie figuur 1).


Figuur 1: Zuigelingensterfte in een aantal Europese landen in de periode 1985-2003 (OECD Health Data, 2005).


Eerste week sterfte in Nederland relatief ongunstig

In Nederland lijkt vooral de daling in de sterfte in de eerste week sterker te stagneren dan in veel andere EU-landen. De sterfte in de eerste vier weken (neonatale sterfte) ligt hoger dan gemiddeld in de EU-25 landen. De sterfte na eerste levensmaand, maar voor eerste verjaardag (post-neonatale sterfte) ligt in Nederland lager dan het gemiddelde van de EU-25 landen (WHO-HFA).


Nederland voorloper bij de aanpak van wiegendood

Binnen de EU-15 kennen alleen Portugal, Italie en Griekenland een iets lagere sterfte aan wiegendood dan Nederland. In Belgie en Duitsland ligt deze juist hoger (de De Jonge & Hoogenboezem, 2005).

Nederland is de voorloper geweest in de succesvolle aanpak van wiegendood. Hier werd in 1997 gestart met de introductie van het advies om pasgeboren niet op hun buik te laten slapen. Dit leidde onmiddellijk tot een daling in sterfte aan wiegendood. Enkele jaren later volgden Nieuw Zeeland, het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen met de preventie van wiegendood (McKee et al., 1996).

Moedersterfte internationaal moeilijk vergelijkbaar

Onderrapportage van moedersterfteAlexander et al., 2003]). Slechts enkele landen werken met een meer complete ‘confidential enquiry’ op landelijk niveau, waaronder Engeland en Nederland. in de officiele bevolkingsstatistiek bemoeilijkt internationale vergelijkingen van moedersterfte. Voor zover bekend varieert de onderrapportage in de verschillende landen van 25 tot 80% (

Daarnaast is internationale vergelijking naar trends en oorzaken van moedersterfte lastig vanwege de kleine aantallen.


Ongunstig profiel risicofactoren in Nederland

In vergelijking met de meeste andere EU-landen laten de risicofactoren voor perinatale sterfteZijn er internationale verschillen in geboorte?). in Nederland een aantal ongunstige ontwikkelingen zien (zie ook

  • Nog steeds roken Nederlandse vrouwen relatief veel tijdens de zwangerschap.
  • De gemiddelde zwangere is in Nederland ouder dan elders.
  • In Nederland zijn er meer meerlingzwangerschappen, wat waarschijnlijk samenhangt met de (hogere) leeftijd van de aanstaande moeders en de daaraan gerelateerde vruchtbaarheidsbehandelingen (zoals hormoonstimulatie en IVF).
  • Het aantal zwangeren van allochtone afkomst is in Nederland relatief hoog.

(Achterberg & Kramers, 2001; Buitendijk & Nijhuis, 2004; Mackenbach, 2006c).
Nederland kent daarentegen weinig zwangeren jonger dan 20 jaar.


Verschillen in de perinatale zorg

In de vergelijking met de andere EU-landen vallen twee aspecten van de perinatale zorg op. In Nederland wordt prenatale screening op een aantal aangeboren afwijkingen met een hoog overlijdensrisico minder toegepast dan elders. Keuzes zoals zwangerschapsafbreking bij een gevonden afwijking kunnen de perinatale sterftecijfers beïnvloeden.


Een tweede verschil is de opvang van zeer vroeggeboren kinderen. Nederlandse neonatologen lijken terughoudender met ingrijpende behandelingen die bedoeld zijn om deze zeer jonge kinderen in leven te houden (Achterberg & Kramers, 2001; Buitendijk & Nijhuis, 2004; Mackenbach, 2006c).


Na de verontrustende uitkomsten van het eerste onderzoek, vijf jaar geleden, laaide in Nederland een discussie op over babysterfte. Mogelijk echter zou de uitkomst te wijten zijn aan een ‘toevalstreffer’. Dat sluiten de onderzoekers na dit tweede rapport uit.


Khadija Arib, die voor de PvdA-fractie in de Tweede Kamer al jaren het onderwerp babysterfte volgt, toont zich diep geschokt. ‘Er moet echt wat gebeuren. Denk aan conceptiezorg met goede voorlichting, over gezond gedrag voor en tijdens de zwangerschap. Dit is echt een heel urgent probleem.’

De woordvoerder van minister Ab Klink van Volksgezondheid wijst erop dat het om cijfers uit 2004 gaat. ‘Sindsdien is veel beleid aangescherpt. Maar kijk ook naar de gegevens: in Nederland tellen late abortussen ook mee, in andere landen niet. Hier krijgen vrouwen vaak op latere leeftijd kinderen, en dat heeft risico’s. En onder migranten is de babysterfte relatief hoog.’


In Juli nam Minster Klink maatregelen om de babysterfte aan te pakken. Nederland bekleedde toen een middenpositie. Hij stuurde een brief naar de kamer. In de brief aan de kamer werden verschillende maatregelen en acties aangekondigd om babysterft tegen te gaan. De brief ging allereerst in op wat er de afgelopen jaren al in gang is gezet. Denk aan het systematisch beschikbaar maken van perinatale gegevens, aan de perinatale audit die lessen rond vermijdbare sterfte moet opsporen en aan zwangerschapsscreening. Ook werd in het Landelijk Indicatie Protocol Kraamzorg het aantal uren kraamzorg uitgebreid en is er een apart tarief gekomen voor assistentie van de kraamverzorgende tijdens de bevalling. De uitbreiding van de neonatale hielprikscreening is een voortvloeisel van deze maateregel. Al deze maatregelen zullen de komende jaren hun vruchten afwerpen. Daarnaast benoemt de brief nieuwe maatregelen en activiteiten.

Lees ook de brief