Genomics: Alibi van verdachten beter te controleren

0
219

De eerste biologische test om verdachten te linken aan het tijdstip van het misdrijf
Voor het eerst is het mogelijk om uit biologisch materiaal, zoals bloed en speeksel, dat is achtergebleven op een plaats van misdrijf te ‘lezen’ op welke tijd van de dag dit materiaal daar terecht is gekomen. Dit kan een belangrijk nieuw hulpmiddel vormen bij het opsporingsonderzoek omdat hiermee bijvoorbeeld het alibi van een verdachte kan worden geverifieerd. Onderzoekers van het Erasmus MC publiceerden hun bevindingen van het onderzoek naar de biologische test online in het wetenschappelijke tijdschrift International Journal of Legal Medicine.

Biologisch materiaal dat wordt gevonden op een plaats van misdrijf wordt met grote regelmaat gebruikt om personen aan de hand van het DNA-profiel te identificeren. Een verdachte kan echter ontkennen dat hij op het tijdstip van het misdrijf op die plek aanwezig was. In zijn verweer kan hij bijvoorbeeld aanvoeren dat het materiaal vóór of na het misdrijf op de bewuste plaats terecht moet zijn gekomen. Het onderzoek van de afdeling Forensische Moleculaire Biologie van het Erasmus MC maakt het mogelijk om te bepalen of dit verweer terecht is.

Prof. dr. Manfred Kayser, hoofd van de afdeling Forensische Moleculaire Biologie van het Erasmus MC: “In ons onderzoek baseerden wij ons op de natuurlijke aanwezigheid van de hormonen melatonine en cortisol in het bloed en speeksel. Zo is er gedurende de nacht een verhoogde concentratie melatonine; deze hoge concentratie neemt in de loop van de dag steeds verder af. Van het hormoon cortisol vind je de hoogste concentratie juist in de vroege morgen, kort na het ontwaken, wat in de loop van de dag steeds verder afneemt. Wij hebben gevonden dat deze hormonen nog goed zijn aan te tonen in hele kleine hoeveelheden bloed of speeksel. Bovendien hebben we laten zien dat de bepaling van de concentratie van de hormonen betrouwbaar genoeg is om te kunnen zeggen op welk tijdstip van de dag het biologische materiaal op de bewuste locatie is achtergebleven.”

Prof. dr. Ate Kloosterman van de afdeling Humane Biologische Sporen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI): “Als in een strafzaak een DNA-match wordt vastgesteld tussen de DNA-profielen van een spoor en een verdachte bestaat er meestal geen twijfel van wie het spoor is. DNA geeft echter geen antwoord op de belangrijke vragen hoe en wanneer het bewuste spoor is ontstaan. Dit nieuwe onderzoek is een belangrijke aanzet om in de nabije toekomst in elk geval de ‘wanneer-vraag’ aan de hand van objectieve metingen te kunnen beantwoorden.”

De volgende stap van het onderzoek is om andere biologische markers te bestuderen op basis waarvan nog meer gedetailleerde uitspraken gedaan kunnen worden over het tijdstip van de dag maar ook over de ouderdom van het spoor waarop het biologische materiaal is gedeponeerd.

Het onderzoek van Erasmus MC is mogelijk gemaakt door subsidies van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en van het Netherlands Genomics Initiative (NGI)/NWO in het kader van het Forensic Genomics Consortium Netherlands (FGCN).