Transvet verhoogt kans op depressie

Het eten van te veel transvet verhoogt niet alleen de kans op hart- en vaatziekten, zoals al langer bekend was, maar geeft een nadelig effect depressies of het ontwikkelen van een depressie.

De resultaten van het onderzoek zijn online gepubliceerd in PLoS ONE. Voor het onderzoek bestudeerden de onderzoekers de gegevens van 12.059 mannen en vrouwen, met een gemiddelde leeftijd van 37 jaar. Bij aanvang van de studie had geen van allen een depressie.
De mannen en vrouwen vulden een vragenlijst in en werd gevraagd te beschrijven hoeveel en welke types vet ze binnen kregen. Na zo’n zes jaar (de een werd langer gevolgd, de ander korter) werd bij 657 van de deelnemers de diagnose van depressie gesteld.

Vervolgens keken de onderzoekers naar welke types en welke hoeveelheden vet de personen hadden genuttigd en of dit een rol had gespeeld.
Transvet zit onder andere in fast food en koek. Geen van de deelnemers bleek overigens veel transvet te consumeren. De groep met de hoogste inname nam dagelijks slechts 1,5 gram en juist in deze groep vonden de onderzoekers een verhoogd risico (48 procent) op depressie.

Volgens de onderzoekers toont de studie aan dat hart- en vaatziekten en depressies op dezelfde manier worden veroorzaakt door wat we eten. Verder onderzoek moet hierover meer duidelijkheid geven.

Bron: PloS ONE & LA Times

3 REACTIES

  1. Doordat er geen referenties gegeven worden door Medicalfacts kan men niet controleren hoe de onderzoekers het gesteld hebben, maar gebaseerd op de informatie hier gegeven mag niet gesteld worden dat transvetten depressies veroorzaken. Zelfs niet mede-veroorzaken. Er is alleen een correlatie vastgesteld, geen causaal verband. Voor hetzelfde geld ligt de oorzaak-gevolgrelatie omgekeerd: doordat men depressief werd ging men meer junkfood eten met transvetten.

    Het is teleurstellend dat zelfs een site als Medicalfacts dat niet ziet, het verschil tussen correlatie en causaliteit.

    Frank Conijn
    fysiotherapeut/onderzoeker
    Conijn Consultancy

  2. Geachte heer Conijn,

    Ik zie dat inderdaad de link naar de studie ontbreekt. Die hebben we gelijk toegevoegd.

    http://www.plosone.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal.pone.0016268

    Dank voor uw reactie.

    Even voor de volledigheid: de conclusie is duidelijk. Er is een nadelige relatie tussen consumptie van Trans vetten en depressie. En in het artikel wordt niet verwezen naar een causaal verband. Hetgeen u stelt is dus niet als zodanig in het artikel gesuggereerd. De inhoud van het artikel klopt dua wel met hetgeen is onderzocht. Uw kritiek is dus meer van toepassing op de onderzoekers en het onderzoek!!

    Dietary Fat Intake and the Risk of Depression: The SUN Project

    Emerging evidence relates some nutritional factors to depression risk. However, there is a scarcity of longitudinal assessments on this relationship.

    To evaluate the association between fatty acid intake or the use of culinary fats and depression incidence in a Mediterranean population.

    Prospective cohort study (1999–2010) of 12,059 Spanish university graduates (mean age: 37.5 years) initially free of depression with permanently open enrolment. At baseline, a 136-item validated food frequency questionnaire was used to estimate the intake of fatty acids (saturated fatty acids (SFA), polyunsaturated fatty acids (PUFA), trans unsaturated fatty acids (TFA) and monounsaturated fatty acids (MUFA) and culinary fats (olive oil, seed oils, butter and margarine) During follow-up participants were classified as incident cases of depression if they reported a new clinical diagnosis of depression by a physician and/or initiated the use of antidepressant drugs. Cox regression models were used to calculate Hazard Ratios (HR) of incident depression and their 95% confidence intervals (CI) for successive quintiles of fats.

    During follow-up (median: 6.1 years), 657 new cases of depression were identified. Multivariable-adjusted HR (95% CI) for depression incidence across successive quintiles of TFA intake were: 1 (ref), 1.08 (0.82–1.43), 1.17 (0.88–1.53), 1.28 (0.97–1.68), 1.42 (1.09–1.84) with a significant dose-response relationship (p for trend = 0.003). Results did not substantially change after adjusting for potential lifestyle or dietary confounders, including adherence to a Mediterranean Dietary Pattern. On the other hand, an inverse and significant dose-response relationship was obtained for MUFA (p for trend = 0.05) and PUFA (p for trend = 0.03) intake.

    A detrimental relationship was found between TFA intake and depression risk, whereas weak inverse associations were found for MUFA, PUFA and olive oil. These findings suggest that cardiovascular disease and depression may share some common nutritional determinants related to subtypes of fat intake.

    Almudena Sánchez-Villegas1,2*, Lisa Verberne1,3, Jokin De Irala2, Miguel Ruíz-Canela2, Estefanía Toledo2, Lluis Serra-Majem1, Miguel Angel Martínez-González2

    1 Department of Clinical Sciences, University of Las Palmas de Gran Canaria, Las Palmas de Gran Canaria, Spain, 2 Department of Preventive Medicine and Public Health, University of Navarra, Pamplona, Spain, 3 Division of Human Nutrition, Wageningen University, Wageningen, The Netherlands
    Abstract Top

    Emerging evidence relates some nutritional factors to depression risk. However, there is a scarcity of longitudinal assessments on this relationship.
    Objective

    To evaluate the association between fatty acid intake or the use of culinary fats and depression incidence in a Mediterranean population.
    Material and Methods

    Prospective cohort study (1999–2010) of 12,059 Spanish university graduates (mean age: 37.5 years) initially free of depression with permanently open enrolment. At baseline, a 136-item validated food frequency questionnaire was used to estimate the intake of fatty acids (saturated fatty acids (SFA), polyunsaturated fatty acids (PUFA), trans unsaturated fatty acids (TFA) and monounsaturated fatty acids (MUFA) and culinary fats (olive oil, seed oils, butter and margarine) During follow-up participants were classified as incident cases of depression if they reported a new clinical diagnosis of depression by a physician and/or initiated the use of antidepressant drugs. Cox regression models were used to calculate Hazard Ratios (HR) of incident depression and their 95% confidence intervals (CI) for successive quintiles of fats.
    Results

    During follow-up (median: 6.1 years), 657 new cases of depression were identified. Multivariable-adjusted HR (95% CI) for depression incidence across successive quintiles of TFA intake were: 1 (ref), 1.08 (0.82–1.43), 1.17 (0.88–1.53), 1.28 (0.97–1.68), 1.42 (1.09–1.84) with a significant dose-response relationship (p for trend = 0.003). Results did not substantially change after adjusting for potential lifestyle or dietary confounders, including adherence to a Mediterranean Dietary Pattern. On the other hand, an inverse and significant dose-response relationship was obtained for MUFA (p for trend = 0.05) and PUFA (p for trend = 0.03) intake.
    Conclusions

    A detrimental relationship was found between TFA intake and depression risk, whereas weak inverse associations were found for MUFA, PUFA and olive oil. These findings suggest that cardiovascular disease and depression may share some common nutritional determinants related to subtypes of fat intake.

  3. Het onderzoeksartikel meldt: “Emerging evidence relates some nutritional factors to depression risk. However, there is a scarcity of longitudinal assessments on this relationship.” Er is dus niet aangetoond dat transvetten (mede-)veroorzakers zijn van depressies, er is alleen een correlatie aangetoond.

Comments are closed.