Goede communicatie bij palliatieve sedatie essentieel

0
294

Piet Postmus vroeg in 2006 aan verpleegkundige Frank Oosterveer om te onderzoeken hoe op de afdeling longziekten van VUmc de richtlijn palliatieve sedatie werd nageleefd. Palliatieve sedatie is een heet hangijzer. Misschien niet zo zeer medisch, maar politiek in ieder geval, legt Oosterveer uit.

“Het wordt nog wel eens verward met euthanasie, maar dat is het niet. Palliatieve sedatie is het toedienen van een slaapmiddel waardoor de patient langzamerhand het bewustzijn verliest. In combinatie met het onthouden van vocht overlijdt de patient binnen enkele dagen. Het gaat altijd om patienten die sowieso nog maar enkele weken te leven hebben.” Palliatieve sedatie is daarmee normaal medisch handelen en dus geen euthanasie. Oosterveer verzamelde alle artsenstatussen op de afdeling over de jaren 2005 en 2006. Dus zowel voor als na lancering van de richtlijn.

Op 25 november was er een symposium palliatieve sedatie. De aanleiding was een onderzoek door Frank Oosterveer waaruit bleek dat er nog veel onbekendheid is over de richtlijn palliatieve sedatie van de KNMG, die in december 2005 is gelanceerd.


Zorgcontinuïteit
Bij zijn onderzoek had hij twee vragen voor ogen: welke middelen zijn bij de sedatie voorgeschreven en hoe is de documentatie geweest. Na lancering van de richtlijn bleken meer middelen van eerste keuze te zijn voorgeschreven. Oosterveer: “Bij sedatie moet een slaapmiddel worden voorgeschreven en niet bijvoorbeeld morfine. Althans, niet als middel om het bewustzijn te doen verlagen.” Op dat punt heeft de richtlijn zin gehad, concludeert Oosterveer.

De artsenstatussen gaven echter geen blijk van betere documentatie na lancering van de richtlijn. Terwijl dat voor onder meer de zorgcontinuïteit van wezenlijk belang is, benadrukt Oosterveer. “Als ‘s morgens een zoon door arts A te woord is gestaan, dan moet de dochter ‘s avonds van arts B hetzelfde verhaal te horen krijgen. En dat geldt ook voor verpleegkundige C en D. In alle gevallen moeten behandelaars en verzorgenden van elkaars medisch handelen en zorgen op de hoogte zijn.”


Symposium
Oosterveer trekt als belangrijke conclusie uit zijn onderzoek, dat artsen niet voldoende op de hoogte zijn van de richtlijn. Hij heeft geen onderzoek gedaan naar de statussen van verpleegkundigen. Het symposium was een manier om palliatieve sedatie onder de aandacht te brengen. Wat hem betreft kon de zaal niet vol genoeg zijn. “Want het is een heel essentieel onderwerp, dat voor patienten en hun omgeving veel leed kan voorkomen.”


Richtlijn artsen

Een verzoek om palliatieve sedatie kan komen van de patient zelf, zijn/haar naaste familie en/of betrokken hulpverleners. De behandelend arts weegt zorgvuldig af of de patient in aanmerking komt. Hierbij vindt overleg plaats met de patient en eventuele andere betrokkenen, zoals hulpverleners. Is een patient wilsonbekwaam, dan vindt overleg plaats met een vertegenwoordiger van de patient. De Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) geeft aan wie daarvoor in aanmerking komen. Als de patient in aanmerking komt voor palliatieve sedatie, kan de arts het verzoek uitvoeren.

Op 16 december 2005 stuurde staatssecretaris Ross (ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) de richtlijn palliatieve sedatie van de KNMG (Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst) naar de Tweede Kamer. Deze richtlijn beschrijft duidelijk wanneer palliatieve sedatie medisch gezien verantwoord is.


Meer informatie


Bron: VUMC