Voorlichting door farma-industrie niet verbieden!

0
850

chemicalien-2Het doel van TROS RADAR en de petitie van de Consumentenbond is kortweg: het verkrijgen van politiek draagvlak om de wetgeving m.b.t. voorlichting en ziekte-informatie drastisch aan te scherpen, voorzover de industrie de bron. Dat is een slecht plan.

Natuurlijk werkt de zelfregulering rond farma-promotie nog niet op alle punten al helemaal goed. Daar gaat het echter niet om. Het gaat om de vraag of de industrie een aangewezen partij is voor gezondheidsvoorlichting. Het antwoord is: ja, omdat gezondheidsvoorlichting belangrijk is, en de industrie een prima partij is om daar een deel van voor haar rekening te nemen. Sterker nog: een wettelijk verbod op voorlichting en reclame vanuit de industrie over ziekte en gezondheid zou een ramp zijn voor de hoogstaande zorg in ons land. De zorg-consument heeft juist baat bij die voorlichting, en daarnaast is het een vliegwiel voor de zinnige bedrijfsvoering van alle betrokkenen in de zorg (van zorginstellingen en artsen tot industrie). Daar zijn minstens vijf argumenten voor te geven.

Ten eerste: voorlichting draagt bij aan gezondheids-bewust gedrag. Sites en folders die door de industrie gesponsord zijn, staan vol met preventie-adviezen. Dat komt, doordat dergelijk materiaal gebaseerd is op medische standaarden, die bijna altijd beginnen met het preventie, gezonde leefstijl en het vermijden van risicofactoren.

Ten tweede: ook voorlichting door de industrie vermindert onnodige druk op de zorg. Het mechanisme van zelftests die op sites staan, is in veel gevallen gebaseerd op, of kan beschouwd worden als een voorportaal van medisch-diagnostische vragenlijsten die in binnen- en buitenland door de medische stand zijn ontwikkeld. Bedrijven en patienten hebben er niets aan, als een voorlichtingscampagne tot onnodige druk op de medische zorg leidt, en dat gebeurt in de praktijk dan ook zelden.

Ten derde: de industrie helpt onder-behandeling tegen te gaan, en daarmee de kwaliteit van zorg te verbeteren. Voor vele aandoeningen (hart- en vaatziekten, diabetes, oogheelkunde enz.) blijkt keer op keer uit wetenschappelijk onderzoek, dat – ten opzichte van de medische standaarden – 10 tot 30% of meer van de patienten die in aanmerking komen voor medisch(-farmaceutische) zorg, niet gediagnosticeerd zijn, te weinig trouw aan de behandeling zijn, of niet conform de streefwaarden behandeld worden. Gevolg kan zijn: een hoop medische ellende en meerkosten voor de maatschappij voor bijvoorbeeld ziekehuisopname. Een mondige, goed voorgelichte patient, kan dat lek in de zorg zelf helpen dichten. De industrie wil daar natuurlijk wel aan meewerken (lees: fors in investeren), omdat ze parnter in de zorg zijn er ook omdat er voor hen een parallel economisch belang is. Prima.

Ten vierde: als de industrie het niet doet, doet niemand het. De industrie is bij uitstek een partij, die in staat is om met lange adem deze publieksvoorlichting op te pakken. Natuurlijk, de overheid doet dat campagne-gewijs ook (HPV, roken, bewegen, griep, overgewicht), en zorgverzekeraars en apotheken ook als het zo uitkomt, maar voor veel andere ziektes is er weinig betrouwbare informatie te vinden. De kwaliteit van de continue evoluerende informatie op industrie-gesponsorde sites, is – mede door de sinds eind vorige eeuw aangescherpte regelgeving – door de bank genomen beslist prima; medische adviesraden, redactiecommissies, goed overleg met patienten-organisaties en interne checks & balances staan daar garant voor.

Ten vijfde: Europa wil het zo. Misschien is dat wel de minst belangrijke reden, maar op EU-niveau bestaat er allang consensus over, dat publieks-voorlichting door de industrie een prima bijdrage kan leveren aan zorg en welzijn. De trend – althans bij chronische ziektebeelden – is zelfs naar meer vrijheden op het punt van symptoomreclame en expliciete voorlichting over geneesmiddelen. Iedereen is het er over eens, dat we moeten waken voor uitwassen in de voorlichting en promotie, en daar is dan ook allang een instrumentarium voor ingericht – in de vorm van wetgeving en zelfregulering, maar feitelijk ook door de eigen verantwoordelijkheid van zorgverleners, medische standaarden en zorg-budgettering. Niks verdere wettelijke verboden; deze voorlichting en promotie draagt juist bij aan doelmatige zorg!

Tot slot, een voorbeeld. Neem griepvaccinatie in Nederland. De vaccinatiegraad onder risicogroepen was in de jaren tachtig niet hoger dan zo’n 30 procent. Iedereen – inclusief de overheid – vond dat te laag, maar er gebeurde niets. Op initiatief van farmaceutische bedrijven die de vaccins produceren, is de voorlichting en toegankelijkheid van griep-vaccinatie voor riscicogroepen toen sterk verbeterd, waarna de vaccinatiegraad groeide naar ongeveer 80 procent – een score die wereldwijd bewondering oogst. Let wel: het eerste initiatief en de massa-mediale campagnes hiervoor kwamen van de industrie, waarna wetenschap, medici en overheid inhaakten. Natuurlijk nam de omzet aan griepvaccins drastisch toe, parallel aan een pure gezondheidsverbetering. Met de financiele opbrengsten, heeft de industrie jarenlang onderzoek kunnen doen naar totaal nieuwe productiemethoden waarmee veel sneller en beter grotere hoeveelheden influenza-vaccins te maken zijn – daar plukt de samenleving nu de vruchten van. Een win-win situatie dus, waar een commerciele, ondernemende partij een rol speelt in zowel voorlichting, zorgverbetering als farmaceutische innovatie.

Conclusie: wie de industrie verbiedt om voorlichting en ziekte-awareness campagnes op te zetten, schaadt direct het belang van de huidige en toekomstige zorg-consument.

Marc Hinfelaar, Baarn