Artsen en verpleegkundigen zien eerder af van levensverlengende zorg dan publiek

Zorgverleners gaan minder ver in pogingen het leven te verlengen dan ‘gewone’ patiënten. Zo zeggen artsen en verpleegkundigen voor zichzelf duidelijk minder voor reanimatie, dialyse en beademing te kiezen. Deze interventies worden soms wel aan hun patiënten aangeboden, blijkt uit onderzoek van KNMG en V&VN. Op 19 februari gingen deelnemers van het congres ‘Niet alles wat kan, hoeft’ over de uitkomsten in discussie.

Kiezen voor kwaliteit van leven, niet voor levensverlenging
Zorgverleners hebben veel vaker concreet nagedacht over het eigen levenseinde dan het algemene publiek en bespreken dit ook vaker met hun naasten, zo blijkt uit het gezamenlijke onderzoek van KNMG en V&VN. Geconfronteerd met een hypothetische situatie van een beperkte levensverwachting voor zichzelf, zeggen zorgverleners te kiezen voor kwaliteit van leven, ook als dat ten koste gaat van levensverlenging. Van het publiek zegt 13 procent iedere levensverlengende behandeling aan te zullen grijpen, terwijl dit bij artsen (2%) en verpleegkundigen (3%) veel lager ligt.

Reanimatie, dialyse en beademing
Met name bij reanimatie, dialyse en beademing bestaan grote verschillen tussen het algemene publiek en zorgverleners. Zo zegt 55 procent van het algemene publiek voor reanimatie te kiezen, terwijl maar 10 procent van de artsen en verpleegkundigen daarvoor zegt te kiezen.

Ander advies aan patiënt
Veel artsen (42%) hebben weleens aan een patiënt een mogelijk levensverlengende behandeling voorgesteld waar ze zelf niet voor zouden kiezen. Dat is niet per se een probleem: “Wie ben ik om iemand te weerhouden van een agressieve behandeling als dat voor deze persoon de beste manier is ermee om te gaan?”, aldus een deelnemer aan het onderzoek. KNMG-voorzitter Rutger Jan van der Gaag: “Zorgverleners moeten zich bewust zijn van deze discrepantie, zodat zij beter kunnen inspelen op de soms te hoge verwachtingen die de patiënt heeft van een voorgestelde behandeling. Het gaat om het goede gesprek en daar de tijd voor nemen. Wat zijn de mogelijkheden, de voors en tegens? En wat betekent dit voor de patiënt? Wat zijn diens onderliggende wensen en  welke verwachtingen heeft de patiënt van  een behandeling als het gaat over de kwaliteit van leven en de resterende levensduur? Zijn die reëel? De antwoorden hierop vormen de basis voor het gezamenlijke besluit van de patiënt en de arts over wat te doen of wat niet meer te doen.”

Passende zorg bevorderen
Met het congres ‘Niet alles wat kan, hoeft’ sluit de KNMG op 19 februari 2016 het project ‘Passende zorg in de laatste levensfase af’, een project dat de KNMG met vele veldpartijen heeft uitgevoerd. KNMG-voorzitter Van der Gaag: ” Er is de afgelopen jaren heel veel bereikt. Dat gaat vaak goed, maar kan en moet nog beter. Het thema passende zorg staat stevig op de agenda van allen en in de praktijk doen vele goede voorbeelden volgen om passende zorg te bevorderen. Passende zorg is de kern van de geneeskunst en van ons allemaal. De KNMG en de federatiepartners  blijven zich daar dan ook voor inzetten. Het uitverkochte congres op 19 februari is daar het bewijs van”.

Werk zelf aan passende zorg: handvatten
De deelnemers aan het congres ontvangen handvatten om in de eigen omgeving met dit thema aan de slag te gaan, als arts, verpleegkundige, verzorgende, geestelijk verzorger, bestuurder of patiënt. Want passende zorg bieden is een verantwoordelijkheid van ons allemaal.

Bron: KNMG