Waarom doet iemand vrijwillig mee aan pijnonderzoek?

0
822
Onderzoekers van de UM ontdekken dat sensatiedrang een doorslaggevende factor is bij deelname aan pijnlijke experimenten

Wat beweegt sommige mensen ertoe om vrijwillig deel te nemen aan onprettige, pijnlijke experimenten terwijl anderen dat niet doen? Sensatiedrang is een bepalende factor, zo blijkt uit een recent artikel dat is geschreven door onderzoekers van de Faculty of Psychology van de Universiteit Maastricht en de KU Leuven. Deze conclusie geeft aan er bij experimenteel pijnonderzoek mogelijk sprake is van niet-representatieve steekgroepen, wat de uitkomsten beïnvloedt.

Bij een gangbaar pijnonderzoek ervaren de deelnemers pijnlijke en onprettige prikkels, zoals elektrische schokken. Vervolgens wordt onderzocht in hoeverre mensen onder gewijzigde omstandigheden anders op dergelijke prikkels reageren, zoals bij een kleine en grote mate van voorspelbaarheid. Maar wie wil er eigenlijk vrijwillig meedoen aan pijnlijke experimenten? Deze vraag beantwoorden Karos, Alleva en Peters in hun artikel.

Aanpak

De onderzoekers uit Maastricht voerden twee studies uit om te achterhalen op welke manier steekproefvertekening doorwerkt in de uitkomsten van pijnonderzoek. De eerste studie was gericht op de motieven van de deelnemers: hoe waarschijnlijk achten zij hun deelname? In de tweede studie werd de daadwerkelijke deelname van vrijwilligers onderzocht.

Sensatiezoekers

De uitkomsten van de studies laten zien dat de motivatie om deel te nemen aan pijnonderzoek samenhangt met een hogere leeftijd, minder angst voor pijn en een grotere mate van sensatiedrang. De deelnemers vertoonden een significant sterkere sensatiedrang. De uitkomsten lijken er dus op te wijzen dat deelnemers aan pijnonderzoek sensatiezoekers zijn. Dit kan de conclusies van (ouder) pijnonderzoek ondergraven. Ten gevolge van de steekproefvertekening zijn de uitkomsten immers alleen van toepassing op mensen die geneigd zijn om vrijwillig deel te nemen aan pijnlijke experimenten.

Gevolgen

Onderzoek naar steekproefvertekening is niet nieuw, maar de onderzoekers verwonderen zich er wel over dat de invloed daarvan op experimenteel pijnonderzoek niet eerder onderzocht is. Zoals het citaat hieronder laat zien, zijn hun bevindingen daarom van het allergrootste belang voor pijnonderzoek. Om rekening te houden met steekproefvertekening en de invloed ervan op de onderzoeksresultaten te beperken, dienen procedures wellicht te worden aangepast.

“Voor het opwekken van stress zijn twee ingrediënten noodzakelijk: oncontroleerbaarheid en onvoorspelbaarheid. Dat zijn wezenlijke verschillen tussen experimenteel pijnonderzoek in het laboratorium en in de ‘echte wereld’. Voor een werkelijk begrip van de betekenis van de onderzoeksuitkomsten is een kritische evaluatie vereist van degenen die deelnemen aan ons laboratoriumonderzoek. Dat is precies wat we in dit artikel doen.” – dr. Melanie Noel, Universiteit van Calgary

Het artikel “Pain, Please: an Investigation of Sampling Bias in Pain Research” van Kai Karos, Jessica M. Alleva en Madelon L. Peters is op 8 maart verschenen in The Journal of Pain (2018) en is beschikbaar op https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1526590018300919

Over de onderzoekers
Kai Karos is promovendus aan de KU Leuven in de onderzoeksgroep Gezondheidspsychologie. Zijn aandacht gaat uit naar de gezondheidspsychologie en in het bijzonder naar de rol van sociale context, pijngerelateerde angst en gezichtsexpressie bij pijn. Hij deed zijn bachelor psychologie en zijn onderzoeksmaster in psychopathologie aan de Universiteit Maastricht.

Jessica Alleva is universitair docent aan de Faculty of Psychology van de Universiteit Maastricht en gastonderzoeker aan The Centre for Appearance Research. Haar expertise ligt op het terrein van het lichaamsbeeld.

Madelon Peters is hoogleraar Experimentele gezondheidspsychologie aan de Faculty of Psychology van de Universiteit Maastricht. Haar voornaamste onderzoeksinteresses zijn weerbaarheid in relatie tot pijn en de rol van positieve psychologie bij de bescherming tegen chronische pijn.

Bron: Universiteit Maastricht