Wetgever moet burgerschapsonderwijs nu aanscherpen

De aanscherping van eisen voor burgerschapsonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs komt als geroepen, zeker nu ons onderwijsbestel een nieuwe richting inslaat. Een duidelijker door de wetgever bepaald beeld van burgerschap kan het gat vullen dat wat betreft zingeving en oriëntatie op de meeste scholen bestaat.

Afscheid

Dit betoogt Paul Zoontjens, hoogleraar Onderwijsrecht, bij zijn afscheid op 17 mei 2019 van Tilburg University.  Burgerschap is een beginsel dat de gang van zaken in de school bepaalt, dat kan uitkristalliseren in aparte vakken of kan doorstralen in een reeks van schoolvakken. Juist het effect op het schoolklimaat en op de doelen van het onderwijs zijn van belang, betoogt Paul Zoontjens.

Burgerschapsonderwijs

Vanwege zorgen omtrent de sociale cohesie in de samenleving kennen we sinds 2006 een bepaling over burgerschapsonderwijs in de wetgeving, maar die is onduidelijk en vrijblijvend. Scholen kunnen er alle kanten mee uit, politici blijken burgerschap te pas en onpas als argument te gebruiken om in te grijpen in de schoolorganisatie en leerlingen krijgen onvoldoende systematisch gevormde inzichten en vaardigheden aangeboden.  

Drang

In de nieuwe wetgevingsplannen lijkt er een zekere drang aanwezig om in het burgerschapsonderwijs de verbinding met staatsburgerschap te versterken. Staatsburgerschap fungeert hier niet als ideaal, want een goede of slechte staatsburger bestaat niet. Het kan wel een belangrijk oriëntatiepunt bieden om het collectief bewustzijn omtrent wat een goed burger is, te verduidelijken en scholen een bepaalde richting op te duwen.  

Duidelijke richting

Het geven van duidelijke richting is nodig, zeker nu ons onderwijsbestel een nieuwe weg inslaat, aldus Zoontjens. Het duale bestel, oorspronkelijk bedoeld om heersende religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen in het onderwijs te kanaliseren, bestaat nagenoeg niet meer. Het openbaar onderwijs is praktisch geprivatiseerd, de overheidslegitimatie is tot onder het minimum gereduceerd. Het bijzonder onderwijs sluit in de meeste gevallen niet meer aan bij een coherente gemeenschap.

Op de tocht

De wettelijk bevoorrechte positie van bijzondere scholen staat ook op de tocht. Zowel openbare als bijzondere scholen leggen in hun functioneren vooral de nadruk op hun pedagogische identiteit.  Door deze rolverandering heeft de oorspronkelijk principieel bedoelde onderwijsvrijheid van artikel 23 Grondwet zich tot een functionele vrijheid ontwikkeld.

Voor principiële terughoudendheid van de rol van de wetgever en de centrale overheid is geen reden en in plaats daarvan vindt de vrijheid van de scholen, zowel openbaar als bijzonder, enkel haar rechtvaardiging in de mate waarin die bijdraagt aan het recht op onderwijs van individuen en de kwaliteit van het onderwijs.  

Burgerschap

Burgerschap is in deze nieuwe verhoudingen een belangrijk beginsel voor het hele onderwijs, aldus Zoontjens. Het is niet alleen een maatstaf voor de scholen, het vormt ook een reden voor positief voorwaardenscheppend overheidsbeleid (bijvoorbeeld tot terugdringing van segregatie), en voor handhaving waar de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat in het geding zijn.

Bron: Tilburg University