Verbeteren welbevinden in woonzorgcentra

Verzorgings- en verpleeghuizen worden over het algemeen niet gezien als een aantrekkelijke plek om te werken of te wonen. In de praktijk en bij het doen van onderzoek ligt de nadruk vaak op het verminderen van negatieve aspecten zoals bijvoorbeeld een hoge werkdruk voor de medewerkers en het ervaren van een eenzame leefomgeving voor de bewoners.

Positieve kant van het leven

Promovenda Noortje Kloos van de UT introduceert in haar proefschrift een positief psychologisch perspectief op het werken en wonen in een woonzorgcentrum, waarbij de focus specifiek ligt op optimaal functioneren, dus de positieve kant van het leven.

Kloos: “Ons onderzoek laat onder andere zien dat de vervulling van drie psychologische basisbehoeften belangrijk zijn voor het welbevinden van zowel bewoners als medewerkers: de behoefte aan autonomie, verbondenheid en competentie. De vervulling van deze drie psychologische basisbehoeften kunnen onder druk komen te staan, bijvoorbeeld door de vele regels, tijdsdruk en complexiteit van de zorg, maar was tot nu toe maar weinig onderzocht in het woonzorgcentrum.”

Competent voelen

In haar onderzoek heeft Kloos zorgmedewerkers gevraagd om aan te geven in hoeverre hun behoefte aan autonomie (keuzevrijheid), verbondenheid (waardevolle contacten met anderen) en competentie (het gevoel dat je iets kunt) worden vervuld op het werk. Zorgmedewerkers geven zelf aan dat ze het vooral belangrijk vinden dat zij zich competent voelen op het werk en we zien ook dat deze behoefte het meest wordt vervuld.

Ons onderzoek liet echter ook zien dat de vervulling van álle drie de psychologische basisbehoeften op het werk samenhangen met werkbevlogenheid en met welbevinden van zorgmedewerkers, ook wanneer zij het misschien zelf niet zo belangrijk vinden. Omdat welbevinden vaak gepaard gaat met verschillende positieve uitkomsten, zoals de intentie om in een organisatie te blijven werken, ligt er dus een belangrijke kans voor woonzorgcentra om extra aandacht te schenken voor deze drie psychologische basisbehoeften van zorgmedewerkers. Kloos: “En we moeten niet vergeten dat bewoners daar ook een belangrijke rol in zouden kunnen spelen, bijvoorbeeld als het gaat om de verbondenheid die zorgmedewerkers ervaren met bewoners.”

Autonomie, verbondenheid en competentie bij bewoners

Maar ook voor de bewoners van woonzorgcentra zelf zijn de vervulling van autonomie, verbondenheid en competentie van belang. Kloos: “Deze groep werd tot nu toe doorgaans over het hoofd gezien in het onderzoek naar de vervulling van de psychologische basisbehoeften. In ons onderzoek zagen we dat bij hen juist vooral hun behoefte aan autonomie en verbondenheid werden vervuld en dat zij minder vervulling van hun behoefte aan competentie ervaren.

Ook voor hen vonden we dat de vervulling van alle drie de behoeften samenhangt met hun welbevinden 5 tot 8 maanden later. Daarnaast was een belangrijke nieuwe bevinding dat een hoge vervulling van bijvoorbeeld autonomie niet kan compenseren voor een lage vervulling van bijvoorbeeld de behoefte aan competentie. Er moet dus aandacht zijn voor alle drie in het woonzorgcentrum.”

Implementatieplan ter ondersteuning

Zorgmedewerkers zijn ook geïnteresseerd om kleine gedragsveranderingen te maken om autonomie, competentie en verbondenheid van bewoners te ondersteunen. Kloos en haar team ontwikkelden een persoonsgerichte zorginnovatie voor zorgmedewerkers, gericht op het verbeteren van het welbevinden van bewoners. “We bespraken bijvoorbeeld aan de hand van film fragmenten en de eigen ervaring van zorgmedewerkers hoe kleine aanpassingen, zoals even het tempo aanpassen en uitleg geven over een activiteit, invloed kan hebben op de ervaren competentie van de bewoners.”

Haar laatste onderzoek liet zien dat het bij het implementeren van zo’n interventie belangrijk is dat zorgmedewerkers voldoende worden ondersteund. Kloos: “Een implementatieplan moet zorgen voor eenvoudige integratie in dagelijkse zorgtaken en sociale steun door collega’s.”

Monitoren welbevinden bewoners

Het onderzoek van Kloos laat zien dat medewerkers het welbevinden van bewoners niet zo heel goed kunnen inschatten, in vergelijking met de zelfrapportage van de bewoners. Dat is volgens Kloos niet zo gek, want welbevinden is natuurlijk iets dat echt door een persoon zelf ervaren wordt en dus lastig in te schatten is. Kloos geeft aan dat ze  op zoek moeten gaan naar andere manieren om het welbevinden te monitoren, bijvoorbeeld door meer te kijken naar autonomie, verbondenheid en competentie. En als ze willen dat zorgmedewerkers regelmatig het welbevinden van bewoners rapporteren, dan laat haar onderzoek zien dat vooral een stabiele organisatie en een gedetailleerde instructie voor zorgmedewerkers faciliterend zijn voor hen. Daarnaast is het volgens Kloos van belang om in te zetten op  het makkelijker maken van zelfrapportage door bewoners, bijvoorbeeld door meer kwalitatieve methoden te gebruiken.”

Meer informatie

Noortje Kloos promoveert op vrijdag 14 februari om 12.30 uur in gebouw Waaier 4, UT. Haar proefschrift is opvraagbaar via Noortje Kloos. Haar promotoren zijn prof.dr. G.J. Westerhof, prof.dr. E.T. Bohlmeijer en dr. C.H.C Drossaert (BMS) en haar proefschrift werd gefinancierd door Zorggroep Sint Maarten.

Bron: Universiteit Twente