Advies Nivel : Oudere huisartsen geen ANW diensten meer

0
460

Het Nivel heeft eind 2004 een rapport gepubliceerd waarbij onderzoek is gedaan naar seniorenbeleid bij huisartsen.Uit de analyses die voor dit rapport zijn gedaan, kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
1. Gezien de mate waarin ANW-diensten door huisartsen als belastend worden ervaren en de rol die een hoge werkdruk speelt in motieven van huisartsen om eerder te stoppen met werken, is het voorstelbaar dat de LHV overweegt via vrijstelling van ANWdiensten voor oudere huisartsen, de vervroegde uitstroom uit het beroep terug te dringen.
2. De investeringen in manpower die voor deze maatregel noodzakelijk zijn, zullen naar alle waarschijnlijkheid de te verwachten opbrengsten in manpower ver overtreffen. Het kost meer dan het oplevert. Het aantal op te vangen werkjaren is alleen lager dan het aantal te winnen werkjaren:
. in het hypothetische geval dat alle huisartsen deel kunnen nemen in een HAP (hetgeen in de praktijk niet kan);
. als huisartsen, bij een leeftijdsgrens voor de maatregel van 50 jaar, tenminste 4 jaar langer blijven of tenminste 3 jaar bij een leeftijdsgrens van 55 jaar;
. onder de aanname dat het seniorenbeleid alle huisartsen tussen 50 en 60 jaar zou verleiden tot langer doorwerken.
Die laatste aanname is op zichzelf al weinig realistisch. Ook omdat diensten door huisartsen in een HAP als veel minder belastend worden ervaren, waardoor het ontlastend effect van de maatregel mogelijk ook minder groot is. Daar staat tegenover dat van een vrijstelling van ANW-diensten mogelijk een groot epsychologischf effect uitgaat: huisartsen voelen zich serieus genomen in hun klachten over hoge werkbelasting, waardoor het moreel zou kunnen verbeteren en de uitstroom uit het beroep beperkt blijft
. 3. De kosten van de eventuele maatregel in financiele termen zijn potentieel erg hoog. Als alle vervangingsuren tegen het waarneemtarief zouden moeten worden ingekocht, kost de maatregel in de goedkoopste variant ruim . 23 miljoen per jaar.
4. Afgezien daarvan kunnen grote vraagtekens worden gezet bij de haalbaarheid van de maatregel. De ANW-diensten waarvan de oudere huisartsen worden vrijgesteld, zouden grotendeels opgevangen moeten worden door de jongere huisartsen. Het is onduidelijk of die daartoe bereid zullen zijn.

In de berekening van de verwachte uitstroom in de komende vijf jaar is uitgegaan van de leeftijds/geslachtsspecifieke uitstroomkansen in de afgelopen vijf jaar. Als de uitstroom uit het beroep echter groter zou worden, verandert de verhouding tussen het aantal artsen dat toch al bleef werken en het aantal artsen dat uit zou stromen. Het aantal op te vangen uren verandert daarbij niet. Het omslagpunt wordt dus bereikt als de uitstroom gelijk is aan het aantal op te vangen huisartswerkjaren, zoals in kolom 3 en 4 van tabel 2.3 staat vermeld.

Er zijn aanwijzingen dat de uitstroomkansen inderdaad toenemen en dat de uitstroom uit het beroep in de komende vijf jaar dus groter zal zijn dan hij in de afgelopen vijf jaar is geweest. Van der Velden e.a. toonden immers aan dat nu meer oudere huisartsen uitstromen dan 10 of 20 jaar geleden: de uitstroomkans zou dus een autonome groei kunnen vertonen. Eén van de mogelijke oorzaken van een verdere toename van de uitstroom is al genoemd: het vrijkomen van gelden uit het goodwill-fonds. Een andere oorzaak zou de hoge ervaren werkbelasting van huisartsen kunnen zijn.

Daar staat echter weer tegenover dat de belasting van ANW-diensten in veel regio’s duidelijk verminderd is door de oprichting van een HAP. Het aantal uren dienst dat huisartsen in een HAP moeten draaien ligt ver onder het aantal dat zij in de klassieke situatie draaien. ANW-diensten worden door huisartsen in HAP’s dan ook als veel minder belastend ervaren. De winst die met de overgang naar HAP’s te boeken valt, geldt bovendien zowel voor oudere als voor jongere huisartsen. Opmerking die hier weer bij gemaakt kan worden is dat de diensten slechts één van de bepalende factoren is voor het stoppen met werken.

Bij de overwegingen om een seniorenbeleid te gaan voeren past ook een risico-analyse in de zin van wat er zou gebeuren als men het nalaat. Stel dat 50- of 55-plussers massaal stoppen met werken, wat zouden de gevolgen daarvoor dan zijn voor de gezondheidszorg als geheel. De kans daarop is misschien niet zo groot maar wat zijn de gevolgen als het wél gebeurt.

Ruim 38% (2658) van de Nederlandse huisartsen is ouder dan 50 jaar, 11% (953) is ouder dan 55 jaar (NIVEL, huisartsregistratie). Gemiddeld hebben oudere huisartsen iets grotere praktijken dan jongere huisartsen, zo blijkt uit gegevens van de tweede Nationale Studie: 50 tot 55-jarigen gemiddeld 2258 en 55-plussers zelfs gemiddeld 2532. Dat betekent dat er ruim 6 miljoen patiënten staan ingeschreven bij 50-plus huisartsen en ongeveer 2,5 miljoen bij 55-plussers. Gezamenlijk hebben de 50-plus huisartsen jaarlijks 25 miljoen contacten met hun patiënten, als we alleen naar de 55-plussers kijken betreft dit nog altijd 10 miljoen contacten. Stel nu dat deze allemaal stoppen.

Dat kan twee situaties tot gevolg hebben: of de zorg wordt opgevangen door de nog zittende huisartsen die daardoor veel grotere praktijken en nog meer werk krijgen (respectievelijk 40% en 16% meer bij 50+/55+, in de praktijk is dit dus geen reëel scenario), dan wel een flink aantal mensen heeft geen huisarts en is voor medische zorg aangewezen op de eerste hulp van het ziekenhuis of een medisch specialist. Wat dat betekent voor de kosten en kwaliteit van de gezondheidszorg is moeilijk te kwantificeren. Zoals in eerder NIVEL-onderzoek is beargumenteerd, kan de vraag ‘Wat zou Nederland zijn zonder de huisarts?’ alleen langs omwegen worden beantwoord, vooral door vergelijking met landen waar mensen niet op naam ingeschreven zijn bij een huisarts en waar specialisten zonder verwijzing toegankelijk zijn. Mensen die geen huisarts hebben kunnen niet anders dan met hun klachten rechtstreeks naar de eerste hulp of de specialist gaan. Nu is de vraag of dát een reëel scenario is. Het totaal aantal polikliniekbezoeken in 2001 was 20 miljoen. Zelfs als maar een deel van de respectievelijk 25/10 miljoen huisartscontacten vervangen zal worden door een specialistcontact, kan men zich afvragen wat dat betekent voor wachtlijsten en dergelijke. Daarbij moet ook nog bedacht worden dat een eventuele toeloop op de specialist niet gelijkelijk over de specialismen verdeeld zou zijn maar voor een onevenredig groot deel bij bijvoorbeeld de internist terecht zou komen.

Maar als het nu wél zou kunnen, wat zou het betekenen voor de kosten? Rechtstreeks naar bijvoorbeeld de internist gaan lijkt in eerste instantie niet noodzakelijk veel duurder te zijn, wanneer voor de kosten van een consult bij de internist alleen wordt uitgegaan van het honorarium voor een korte kaart (€ 60,80). Door het verschil in honoreringssystematiek is een goede vergelijking lastig. Een korte kaart kan voor meer dan één consult zijn.
Bron : rapport nivel (pdf)