Veiligere MR-scan minder gebruikt dan CT-scan

0
302

mriDe CT-scanner wordt zo’n 3,5 keer meer gebruikt dan de MRI-scan (Magnetische Resonantie). Nochtans is een MRI-scan te verkiezen boven een CT-scan omdat deze geen gebruikt maakt van röntgenstralen. De MRI- en de CT-scanner worden gebruikt voor medische beeldvorming. Dat stelt het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). Het KCE pleit voor een versoepeling of afschaffing van de MR-programmatie om zo het gebruik van de MR-scan te stimuleren.
MRI-scanners zijn de laatste jaren steeds beter geworden. Ook zijn er contrastmiddelen beschikbaar gekomen die tumoren en andere defecten betrouwbaar zichbaar kunnen maken. Artsen maken bij onderzoek ook steeds meer gebruik van MRI-scans. Grote voordelen zijn dat biopsie, waarbij met een naald een beetje weefsel uit de lever wordt genomen, achterwege kan blijven, en dat de MRI-techniek geen gebruik maakt van schadelijke straling. De techniek is dus snel, veilig en minder belastend voor de patient.

Magnetische kernspinresonantie, beter bekend als MRI (magnetic resonance imaging), van de hersenen of het ruggenmerg wordt uitgevoerd door het hoofd of het gehele lichaam van de patient in een nauwe tunnel te plaatsen en rondom het lichaam een zeer sterk magnetisch veld op te wekken dat bijzonder gedetailleerde anatomische beelden oplevert. MRI maakt geen gebruik van röntgenstraling en is buitengewoon veilig.

Een MRI is effectiever dan een CT-scan met betrekking tot het opsporen van bepaalde ernstige problemen, bijvoorbeeld hersentumoren, afwijkingen van de hersenstam en van de kleine hersenen en ook multipele sclerose. Soms wordt een contrastmiddel (een stof die op het MRI-beeld duidelijk zichtbaar is) in de aders van de patient gespoten om de beelden verder te verduidelijken. De nieuwste MRI-apparatuur is in staat de hersenfunctie te meten door de MRI-beelden met een speciale computer verder te bewerken.

De grootste nadelen van MRI zijn de hoge kosten en de benodigde tijd (10 tot 45 minuten). MRI kan niet worden toegepast bij patienten die afhankelijk zijn van bepaalde soorten beademingsapparatuur, aanvallen van ernstige claustrofobie krijgen of een pacemaker, metalen clips of protheses dragen.