Rock G. werd in 2004 en in 2001 veroordeeld wegens grove nalatigheden en onprofessioneel handelen

0
322

citykliniek-den-haag-medicalfacts1Gynaecoloog en zelfverklaard esthetisch chirurg Rock G. van de Haagse CityKliniek is zelfs twee keer eerder veroordeeld voor nalatig handelen. De gynaecocloog werd in 2004 voor zes maanden geschorst. Drie jaar eerder kreeg de arts een waarschuwing van het tuchtcollege omdat hij de diagnose baarmoederhalskanker bij een vrouw over het hoofd had gezien.

De klacht in juli 2004 betrof twee onderwerpen;

  • Een patiente waarmee Rock G. een intieme relatie was aangegaan
  • Een patiente met zwangerschapsvergiftiging die door nalatigheid en verkeerde medicatie overleed.

De eerst klacht was van een patiente waarmee Rock G. een relatie begon. Na het beeindigen van de relatie door de vrouw, claimde de vrouw door de arts bedreigd en geintimideerd te worden. Echter, dat is in het proces onvoldoende aangetoond. En werd die klacht ongegrond verklaard. Het College stelde wel dat een intieme relatie tussen arts en patient niet samengaat met een professionele behandelrelatie. De reden hiervoor is dat arts en patient tot elkaar in een relatie staan waarin de patient een zekere afhankelijkheid voelt of kan voelen ten opzichte van de arts en daardoor zich mogelijk laat verleiden tot een intieme relatie die hij of zij anders niet met de arts zou zijn aangegaan. Aan de andere kant is voor een goede behandelrelatie vereist dat de arts een professionele afstand bewaart tot de patient. Dat is niet mogelijk indien de partijen tevens in een intieme relatie tot elkaar staan. Na afloop van de behandelrelatie dient de arts dan een wachtperiode in acht te nemen, gedurende welke geen initiatieven tot een intieme relatie worden genomen. Hoe lang deze wachtperiode moet zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Het college oordeeld wel dat de arts zich niet aan deze regels heeft gehouden. Na aanvankelijke ontkenningen heeft hij aan de Inspectie toegegeven dat hij met mevrouw J in april 2002 twee maal in een hotel de nacht heeft doorgebracht en dat hij in mei met haar een reis naar K heeft gemaakt. Bij de stukken bevindt zich een hotelnota, waaruit blijkt dat een hotelovernachting in de nacht van 1 op 2 april 2002 heeft plaatsgevonden. Voor zover de arts heeft willen aanvoeren dat deze relatie niet het karakter van een intieme relatie heeft gehad, acht het College dit niet geloofwaardig. Of in de intieme relatie van volledige coïtus sprake is geweest, acht het College minder van belang. Waar het om gaat is dat de arts in zijn relatie met mevrouw J ernstig grensoverschrijdend gedrag heeft getoond, dat zich niet verdraagt met een professionele behandelrelatie. Toch had deze klacht geen consequenties.

De tweede klacht leidde uiteindelijk tot een schorsing van zes maanden. Het betrof een 20-jarig vrouw met zwangerschapsvergiftiging. Het optreden van Rock G. is is in opdracht van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis van de arts nauwkeurig onderzocht door prof. dr. O, vrouwenarts. Deze deskundige heeft de in dit verband relevante stukken bestudeerd en met betrokkenen, waaronder de arts, gesproken. Omtrent het medisch handelen van de arts heeft de deskundige als volgt overwogen en geconcludeerd:

Bij een 20-jarige patiente was sprake van een snel progressieve pre-eclampsie (eiwitverlies 6 g/l).Op 17 juni, om 16.45 uur, wordt patiente duidelijk zieker en om 16.50 uur wordt de gynaecoloog voor het eerst gebeld. Behoudens het afspreken van bloedonderzoek lag het in de rede dat de gynaecoloog ook zelf de patiente zou onderzoeken. Dit was zeker nodig toen de verpleegkundige om 17.50 opnieuw belde. Het totale delay tussen eerste oproep en daadwerkelijke komst (feitelijk voor een andere patient) is ruim 4 uur. Gezien het beeld was het ook niet verstandig om telefonisch medicatie af te spreken zoals Adalat (niet het middel van eerste keus) en Indocid (zelfs relatief gecontraïndiceerd in de zwangerschap, zeker na 30 weken). Patiente is derhalve in deze periode niet optimaal behandeld. Dat het druk was op de andere locatie is hiervoor onvoldoende excuus, er zijn immers afspraken over achterwachten. Er is bij deze bloeddruk kans op grote complicaties zoals het ontwikkelen van een eclamptisch insult en hersenbloedingen. Daarnaast is stabilisering middels antihypertensiva en magnesiumsulfaat geïndiceerd om onder optimale condities de zwangerschap te kunnen termineren. Na aankomst van de gynaecoloog is wel direct besloten tot behandeling van de bloeddruk en keizersnede, maar niet in een gestabiliseerde situatie. Een en ander is binnen de beroepsgroep vastgelegd in de `NVOG-richtlijn zwangerschapshypertensie’.

Na de keizersnede ontstaat een soortgelijk dilemma. Nu ontwikkelt patiente een extreem lage bloeddruk, een probleem waarop niet echt actie is ondernomen. In combinatie met de oligurie was ook nu intensievere behandeling geïndiceerd. (…)

Geconcludeerd kan worden dat de dienstdoende gynaecoloog onvoldoende zorg heeft verleend en onvoldoende actie heeft ondernoemen bij een ernstig zieke zwangere. Er is beslist sprake van `substandard care’, zonder dat daaruit geconcludeerd mag worden dat de fatale afloop voorkomen had kunnen worden.’