Nederlands MRSA-beleid succesvol

0
361

mrsaPromovenda drs. Femke Mollema bepleit méér controlemomenten na behandeling tegen MRSA
Het Nederlandse MRSA-beleid is succesvol. Minder dan 1% van de inwoners van Nederland draagt de MRSA-bacterie bij zich, mede dankzij het zogenaamde ‘search and destroy’-beleid. Om verspreiding van MRSA nog beter tegen te gaan, moeten meer controles plaatsvinden bij mensen bij wie de behandeling is afgerond. Dit en meer concludeert wetenschappelijk onderzoeker en coassistent drs. Femke Mollema in haar proefschrift, waarmee zij op 18 november promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

De bacterie Staphylococcus aureus (S. aureus) is één van de belangrijkste verwekkers van ziekenhuis- en andere infecties. De variant van de bacterie die niet bestreden kan worden met normale antibiotica, wordt MRSA genoemd (methicilline resistente Staphylococcus aureus). In Nederland komt deze bacterie relatief weinig voor, mede dankzij het zogenaamde ‘Search-and-Destroy’ beleid. MRSA dragerschap is voor gezonde mensen niet gevaarlijk, maar kan leiden tot moeilijk te behandelen infecties bij mensen die bijvoorbeeld een ingreep in het ziekenhuis ondergaan of een verlaagde weerstand hebben.

Het Nederlandse beleid houdt in dat er actief gezocht wordt naar ziekenhuispatienten en personeel werkzaam in de zorg die MRSA-positief (“drager”) zijn en vervolgens worden behandeld om de MRSA kwijt te raken. In haar proefschrift bekijkt drs. Femke Mollema, wetenschappelijk onderzoeker op de afdeling Medische Microbiologie en Infectieziekten van het Erasmus MC, hoe vaak MRSA-positieve mensen MRSA overdragen naar hun huisgenoten, een groep die nog niet is opgenomen in het beleid. Mollema: “Verder wilde ik weten of er bepaalde risicofactoren zijn voor die overdracht. Bijna de helft van alle MRSA-patienten blijkt MRSA over te dragen naar huisgenoten. Jonge mensen, mensen met MRSA in de keel, mensen met eczeem en mensen die thuis lange tijd MRSA-positief zijn, hebben meer kans om MRSA over te dragen. Grote huishoudens en partners van MRSA positieve personen hebben ook een groter risico om MRSA-positief te worden.”

Wanneer er gestart wordt met een MRSA-behandeling is het belangrijk om geen wonden meer te hebben aangezien dit de kans op een succesvolle behandeling ernstig blijkt te verkleinen. Mollema: “Ook MRSA-keeldragerschap verlaagt de kans van slagen. Verder blijkt dat er op meer dan vijf momenten moet worden gecontroleerd of iemand nog steeds MRSA-negatief is na behandeling, in plaats van op drie momenten, zoals nu gebruikelijk is in Nederland. Dit ter voorkoming van het verspreiden van MRSA in ziekenhuizen en de samenleving.”

Mollema onderzocht tevens de relatie tussen HIV en S. aureus dragerschap. Mensen met HIV lopen een grotere kans op het krijgen van een S. aureus- infectie. Daarom werd aangenomen dat HIV-positieve patienten ook vaker drager van S. aureus zouden zijn, daar dragerschap tot infectie lijdt. In Nederland blijkt dit niet het geval te zijn, want in een grote groep HIV positieve en negatieve personen zijn evenveel mensen S. aureus drager (19%). Dit is mogelijk het gevolg van de sterk verbeterde immuunstatus van HIV geïnfecteerde patienten in Nederland. Mollema: “In Zambia is echter wel een groot deel van de HIV-patienten S. aureus drager, namelijk 36%. Bij 74% van die dragers is de bacterie resistent voor meer dan drie antibiotica. Omdat er steeds minder behandelopties overblijven, die bovendien steeds minder succesvol worden, is het noodzakelijk dat er in Zambia en waarschijnlijk in veel ontwikkelingslanden maatregelen op dit gebied worden getroffen.”

Een andere bacterie die veel ziekenhuisinfecties veroorzaakt, is de zogenaamde coagulase-negatieve staphylococ (familie van S. aureus). Ook deze bacterie is vaak resistent voor veel antibiotica. In haar proefschrift toont Mollema aan dat 63% van de patienten deze bacterie op de huid gaat dragen als zij in het ziekenhuis liggen. Langere opnameduur en antibioticagebruik zorgen er voor dat patienten drager worden.