De gecombineerde leefstijlinterventie: kosten, opbrengsten en de praktijk

0
217

De gecombineerde leefstijlinterventie bestaat uit advies over en begeleiding bij voeding/eetgewoontes, beweging en gedragsverandering. Zij is gericht op het verwerven en behouden van gezond gedrag. De interventie kan ingezet worden bij overgewicht en obesitas, om gerelateerde aandoeningen te voorkomen. In dit rapport geeft het CVZ aan hoe de gecombineerde leefstijlinterventie als samenhangende interventie een plaats kan krijgen in de regelgeving, namelijk vermelding als te verzekeren prestatie in het Besluit zorgverzekering. Het rapport is een vervolg op de duiding van de gecombineerde leefstijlinterventie uit 2009 (Preventie bij overgewicht en obesitas : de gecombineerde leefstijlinterventie).
Om zorgverzekeraars een ruime voorbereidingstijd te gunnen, beveelt het CVZ aan de wettelijke verankering van de gecombineerde leefstijlinterventie als samenhangende prestatie, niet eerder dan 1 januari 2012 te realiseren.
Het CVZ adviseert geen eigen bijdrage te heffen voor de GLI en het aanbod onder de basisverzekering niet te beperken tot eenmaal. De meningen over het effect van een eigen bijdrage lopen uiteen. Een eigen bijdrage kan enerzijds motiveren tot ‘therapietrouw’, anderzijds kan de bijdrage ook een drempel vormen voor deelname. Voor het CVZ was doorslaggevend dat de interventie is opgebouwd uit elementen van de reguliere zorg waarvoor evenmin een eigen bijdrage geldt.
De gecombineerde leefstijlinterventie is gericht is op het verwerven en behouden van gezond gedrag. Een gedrags- verandering bereiken is niet eenvoudig. Een langdurige interventie kan hiervoor nodig zijn. Ook bij andere aandoeningen kan gedragsverandering de remedie zijn. Voorbeelden hiervan zijn te vinden op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg. Binnen dit domein ontneemt de basisverzekering niet iemand de vergoeding van een behandeling, mocht een eerdere interventie niet succesvol zijn gebleken. Het CVZ wil dan ook niet adviseren, om de inzet van de GLI onder de basisverzekering formeel tot eenmaal te beperken. De zorgaanbieder moet op basis van zijn professionele inzicht in het individuele geval bepalen of de inzet van de GLI (nog) zin heeft gezien de motivering, mogelijkheden en onmogelijkheden van de patiënt.
Het institute for Medical Technology Assessment (iMTA) van de Erasmus Universiteit te Rotterdam heeft een kostenonderzoek uitgevoerd voor het CVZ rond de kosten en opbrengsten van de gecombineerde leefstijlinterventie op korte en middellange termijn. Dit onderzoek omvatte een uitgebreide budgetimpactanalyse over meerdere jaren.

Naast de kosten van de GLI, zijn besparingen door substitutie van zorg, gezondheidseffecten en, buiten de zorg, door de afname van ziekteverzuim, berekend. Het iMTA raamt het saldo van kosten en opbrengsten in jaar 1 op ca. 51 miljoen euro. Een gestructureerd aanbod van de GLI leidt in de raming in jaar 1 tot en met jaar 4 tot kosten (per saldo). Deze nemen langzaam af tot 9 miljoen euro in jaar 4 en vanaf jaar 5 is er sprake van een batig saldo, dat oploopt tot 50 miljoen euro in jaar 10 (dit saldo geldt voor kosten en opbrengsten binnen de zorg). Bij de berekening vanuit maatschappelijk perspectief raamt het iMTA de opbrengst in jaar 10 op 192 miljoen euro.
Het iMTA is uitgegaan van de hoog-risicoindeling die het CVZ ontleende aan de CBO-richtlijn De behandeling van overgewicht en obesitas bij volwassenen en kinderen uit 2008. In de tussentijd is Voorstel voor de Zorgstandaard Obesitas gepubliceerd die een verfijning heeft aangebracht op deze risico-indeling waardoor niet alle participanten meer in aanmerking zouden komen voor de GLI.
Het rekenmodel moest uitgaan van veel veronderstellingen, omdat er nog geen sprake is van een gestructureerd aanbod van de GLI. Vanwege deze veronderstellingen is het zinvol de praktijk van de GLI van begin af aan te monitoren. CVZ zal hierover overleggen met het ministerie van VWS, ZonMw en de NZa.
Zorgverzekeraars hebben voor een doelmatige uitvoering een aantal handvatten nodig die nog aan nauwkeurigheid kunnen winnen. Hierbij gaat het vooral om twee aspecten : ␣ de koppeling tussen de specifieke indicatie van de verzekerde en de duur en intensiteit van de interventie; ␣ de functionele beschrijving van de GLI. Beide aspecten zijn van belang voor een doelmatige inzet van de interventie. Het CVZ heeft immers de effectiviteit van de gecombineerde leefstijlinterventie in haar algemeenheid vastgesteld. De doelgroep van de interventie is echter groot, met een grote variatie in ernst en complexiteit van de aandoening. Het is nodig om zicht te hebben op de koppeling tussen indicatie van de verzekerde en de duur en intensiteit van GLI, wil deze gepast ingezet kunnen worden. Hierover komen gaandeweg meer gegevens beschikbaar. De Zorgstandaard Obesitas kan hierbij ook behulpzaam zijn
Voor een doelmatige organisatie van de GLI is het verder belangrijk dat per component van de interventie de minimaal vereiste deskundigheid aangegeven is (bij de verschillende niveaus van risico). De Zorgstandaard Obesitas zal zich hierover buigen in 2011.
Tenslotte, afstemming tussen de zorg via de basisverzekering en het lokale gezondheidsbeleid is een belangrijke voorwaarde om de preventieketen goed te laten functioneren. Het CVZ zal in dit verband een standpunt innemen over het PreventieConsult Cardio-metaboolsyndroom, zodra hiervan een definitieve beschrijving beschikbaar is.

Bron: CVZ