Patiënt met kanker vaak naar de huisarts

Huisartsen hebben het idee dat patienten met kanker na de diagnose ‘uit hun zicht verdwijnen’. Dat blijkt niet zo te zijn. Patienten met kanker komen veel vaker bij de huisarts dan vergelijkbare controlepatienten. Dat blijkt uit onderzoek in de 92 LINH-praktijken (BMC Fam Pract. 2012;13:60).

In dit registratienetwerk worden gegevens van 350.000 patienten vastgelegd. De onderzoekers selecteerden 8703 patienten met de diagnose ‘kanker’ in de fase tussen zes  maanden na de diagnose en drie  maanden voor eventueel overlijden. Van alle patienten werden de comorbiditeit en de contacten met de huisartsenpraktijk vastgelegd.

In één jaar tijd hebben patienten met kanker gemiddeld 19,5 contacten met de praktijk; ze zien de huisarts zelf 3,5 keer. Bij controlepatienten is dat respectievelijk 12 en 3,7 keer. De verschillen zijn er vooral in de oudere leeftijdsgroepen, waarbij comorbide aandoeningen immers vaker voorkomen. Onder deze aandoeningen komen hart- en vaatziekten, psychische klachten en luchtwegaandoeningen vaker voor. Patienten met kanker en een chronische aandoening hebben 24 keer per jaar een of andere vorm van contact met de huisarts, patienten zonder kanker en zonder chronische aandoening maar 7 keer.

Huisartsen hebben dus veel gelegenheid tot contact met patienten met kanker. Dat biedt huisartsen en oncologen mogelijkheden om de zorg voor patienten met kanker beter met elkaar af te stemmen.

Bron: NTvG/(Bijdrage: Joost Zaat.)