“Huidig octrooisysteem is het minst slechte”

0
234

Wie tegen hoge kosten een medicijn heeft ontwikkeld, mag daar best wat aan verdienen, schrijft Nefarma-directeur Michel Dutrée in de Volkskrant. “Zonder bescherming stagneert de medische vooruitgang.”
Dutrée reageert met zijn artikel op een interview met Huub Schellekens, hoogleraar medische biotechnologie, eerder deze maand in dezelfde krant. Waar Schellekens in niet mis te verstane bewoordingen in het geweer kwam tegen het octrooisysteem, geeft de Nefarma-directeur aan dat vooralsnog niemand, ook tegenstanders niet, met een beter, werkbaar verdienmodel is gekomen. Want, geeft hij aan, “ook farmabedrijven staan daar zeker voor open. Op het huidige model is ook in hun ogen het nodige aan te merken. Octrooibescherming is een belangrijke voorwaarde voor vooruitgang in iedere sector, dus ook in de zorg. In het huidige systeem zijn zeker verbeteringen denkbaar, maar een werkbaar alternatief is vooralsnog niet voorhanden.

Tegenstanders van het bestaande octrooimodel houden het systeem verantwoordelijk voor de in hun ogen ‘exorbitante prijzen’ van geneesmiddelen. Het tegendeel is waar. Een octrooi biedt de houder voor een vastgestelde periode van twintig jaar het exclusieve recht op de exploitatie van een wetenschappelijke vinding. Als tegenprestatie moet het bedrijf zijn kennis publiceren en beschikbaar stellen aan de samenleving. Zo kunnen andere bedrijven, maar ook wetenschappers, daar direct van profiteren.
In de praktijk komt het regelmatig voor dat anderen op eenzelfde pad blijken te zitten. Zij kunnen zich dan richten op andere paden of hun eigen kennis delen met de houder van het octrooi. Is de octrooiperiode voorbij, dan kan iedereen de kennis gebruiken om het product na te maken. Dit stimuleert de concurrentie, zodat de prijzen omlaag gaan. Zonder octrooibescherming houden bedrijven hun kennis geheim, waardoor concurrenten niet over de noodzakelijke kennis beschikken om concurrerende producten te ontwikkelen.

Exclusiviteit
Een ander misverstand is dat bedrijven door de geboden exclusiviteit twintig jaar kunnen profiteren van de relatief hoge prijzen, die overigens mede door overheden worden bepaald. Van die twintig jaar gaat tien tot twaalf jaar op aan onderzoek en ontwikkeling. Honderden miljoenen worden uitgegeven aan klinische studies om te voldoen aan verplichtingen van overheden. Studies die vaak weinig toevoegen aan de kwaliteit van het uiteindelijke geneesmiddel. Daarna zijn bedrijven nog eens gemiddeld twee jaar aan registratie- en vergoedingsprocedures kwijt. In de overgebleven jaren moeten de ontwikkelkosten worden terugverdiend, óók die van andere potentiele geneesmiddelen die de eindstreep niet hebben gehaald. In de praktijk blijft in de eerste aanloop de verkoop van het nieuwe middel vaak achter bij de verwachtingen. Artsen moeten ervaring opdoen met nieuwe middelen en voordat innovatieve producten in behandelrichtlijnen worden opgenomen, gaat voor bedrijven cruciale tijd verloren. Producenten van weesgeneesmiddelen hebben het vaak nog lastiger. Hun producten zijn ontwikkeld voor de behandeling van zeldzame aandoeningen, aandoeningen die bij minder dan 1 op de 10.000 patienten voorkomen. Zij maken wel dezelfde kosten, maar een veel kleinere markt om deze investeringen terug te verdienen.

Beter model
In een debat over dit onderwerp gingen voor- en tegenstanders afgelopen najaar op initiatief van Nefarma in op de vraag of er een beter model te bedenken is. Algemene consensus was toen dat er best wat aan te merken valt op octrooibescherming, maar dat een alternatief systeem vooralsnog niet voorhanden is (klik hier voor een korte opgenomen impressie van het debat).
Dat neemt niet weg dat bedrijven in overleg willen blijven over alternatieven, zeker als die tot kostenbesparing kunnen leiden zonder dat het ten koste gaat van de innovatie in de zorg. Bedrijven en kennisinstellingen werken steeds meer samen in zogeheten ‘open-innovatieprojecten’, waarbij alle partijen kennis aanleveren en gezamenlijk profiteren van de opbrengsten van het onderzoek. In Nederland is het Top Instituut Pharma een succesvol initiatief geweest, dat aan de basis heeft gestaan van het Europese Innovative Medicines Initiative.

Kostenaandeel
Belangrijk is uiteraard wel dat de octrooidiscussie wordt gevoerd aan de hand van de juiste cijfers. Zo ligt het kostenaandeel van geneesmiddelen binnen de totale zorguitgaven in Nederland al jaren stabiel rond de negen à tien procent. Dat de zorgkosten dus vooral zo hard stijgen door een groeiende geneesmiddelenpost, zoals hoogleraar Huub Schellekens afgelopen zaterdag in de Volkskrant heeft laten optekenen, is volgens Nefarma klinkklare onzin. Geneesmiddelenbedrijven hebben in Nederland opgeteld een jaarlijkse omzet van zo’n vijf à zes miljard euro; daar zijn de kosten van patentloze medicijnen bij inbegrepen. Weesgeneesmiddelen maken slechts een fractie uit van deze kosten. Schellekens betoogt echter dat Nederland ieder jaar meer dan het dubbele, namelijk tien tot twaalf miljard euro, uitgeeft aan geneesmiddelen. In het voorbije decennium zijn in Nederland de prijzen van geneesmiddelen gedaald. Dit komt door een mechanisme van het ministerie van Volksgezondheid, waarbij twee keer per jaar de prijs wordt vastgesteld door de gemiddelde prijs van alle geneesmiddelen in Groot-Brittannie, Duitsland, Frankrijk en Belgie. Per hoofd van de bevolking geven we ongeveer 350 euro per jaar aan geneesmiddelen uit. Hiermee behoren we tot de drie EU-landen met de laagste geneesmiddelenconsumptie per inwoner.

Dat alles ontslaat niemand van de plicht om voortdurend te kijken of verdere prijsverlagingen mogelijk zijn, zolang dat niet de vooruitgang blokkeert of bedrijven over de kling jaagt. Het laat wel zien dat geneesmiddelen niet de eerst aangewezen post zijn om via verdere bezuinigingen de zorgkosten beheersbaar te houden.

Voorts benut Dutrée de gelegenheid om een aantal misverstanden uit het verhaal van Schellekens recht te trekken. Want, zo schrijft hij, het debat moet open gevoerd worden, maar wel op basis van correcte feiten. “Dat we in Nederland 10 tot 12 miljard euro per jaar uitgeven aan geneesmiddelen, zoals Schellekens beweert, is pertinent onjuist. Eenvoudig na te zoeken bronnen, zoals bijvoorbeeld de jaarlijkse begrotingen van het ministerie van Volksgezondheid of de omzetcijfers van de bedrijven, laten zien dat het om zo’n 6 miljard euro per jaar gaat. Nog altijd een behoorlijk bedrag, maar niet in de buurt van wat Schellekens denkt. De hoogleraar zegt dat hij het gevoel heeft dat bedrijven de Nederlandse consumenten een miljardje of 5, 6 teveel laten betalen. Dat gevoel kan kloppen. Het vindt zijn oorsprong echter niet in de werkelijke uitgaven, maar in verkeerde ideeen daarover.
Ook feitelijk onjuist is Schellekens’ bewering dat medicijnkosten de snelst stijgende post vormen binnen de zorgsector. Het kostenaandeel van geneesmiddelen binnen de totale zorguitgaven in Nederland ligt al jaren stabiel rond de 9 à 10 procent, ondanks een grote toename van het gebruik.” Daarnaast is er nog altijd geen uniform systeem voor de hele EU, ondanks aandringen van de sector en beloften van de Europese Commissie. Zo houdt de bureaucratie zichzelf in stand.”

Bron: Nefarma