Psychologische eigenschappen meten met een hersenscan – kan dat?

Array

Het vakgebied neuroscience is booming en de hersenscan is daarin een belangrijk instrument. Maar mogen we eigenlijk wel vergaande conclusies trekken uit de resultaten van een scan? UvA-psycholoog Rogier Kievit publiceerde onlangs samen met een aantal collega’s een artikel waarin hij ageert tégen voorbarige conclusies, en pleit vóór deugdelijke theorievorming.‘Binnen vijf jaar hersenscan bij sollicitatie’, kopte Het Parool niet zo lang geleden – volgens een neuro-econoom zouden de hersenscantechnieken binnen een decennium zodanig zijn verbeterd dat ze eigenschappen en intelligentie kunnen meten. De scan als onfeilbaar apparaat dat onze ziel en zaligheid blootlegt.

Psychologen van de Universiteit van Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen wilden graag toetsen in hoeverre dergelijke voorspellingen kloppen. Dit doen zij door te laten zien welke modellen bij dergelijke voorspellingen horen en door enkele datasets te analyseren. In hun zogeheten target article (waarop andere wetenschappers mogen reageren door zelf een artikel in te dienen, gevolgd door een reactie van de auteurs van het eerste artikel) in Psychological Inquiry wijzen de wetenschappers erop dat voorspellingen en theorieen over hersenscans empirische voorstellingen zijn met bijbehorende statistische modellen, waardoor ze toetsbaar zijn. Deze statistische modellen baseren de onderzoekers voor een deel op theoretische/filosofische ideeen over de relatie tussen hersenen en gedrag.

Onterecht optimisme en angst
Uit het onderzoek van Rogier Kievit (eerste auteur) en zijn collega’s blijkt dat het – vooralsnog – niet mogelijk is om intelligentie of persoonlijkheidskenmerken te meten met een hersenscan. ‘Een belangrijke vinding, aangezien zulke voorspellingen kunnen leiden tot zowel onterechte angst als onterecht optimisme’, aldus Kievit. ‘Er worden, zeker in de populair-wetenschappelijke pers, vaak te snel conclusies van deterministische aard getrokken – alles is biologisch/neurologisch te verklaren (bijvoorbeeld depressie) en dus kun je er niets aan veranderen. Of mensen denken juist dat een aandoening als schizofrenie ‘slechts’ een hersenaandoening is, die je straks ‘dus’ eenvoudig kunt oplossen. De werkelijkheid is veel genuanceerder en complexer. Natuurlijk beïnvloeden de hersenen het gedrag, alleen: alles beïnvloedt elkaar in een complex web van interacties, en we weten niet precies hoe. Daar passen geen simpele antwoorden of voorspellingen bij.’

Onterechte aannames met betrekking tot de onfeilbaarheid van hersenscans kunnen ook ronduit gevaarlijk zijn, weet hij. ‘In de Verenigde Staten wordt regelmatig gebruikgemaakt van de polygraaf, ofwel de leugendetector, tijdens verhoren van verdachten of sollicitatieprocedures. Zo is er een bedrijf dat No Lie MRI heet, dat claimt met een hersenscan onfeilbaar leugens te kunnen detecteren. Dat terwijl er veel evidentie is dat deze apparaten buitengewoon onbetrouwbaar zijn, dat ze met trucjes om de tuin te leiden zijn, en absoluut niet zomaar als objectief meetinstrument kunnen worden gebruikt.

Zacht versus exact
Kievit merkt op dat er een tendens waarneembaar is, niet alleen in de maatschappij maar ook in de wetenschap, om psychologie weg te zetten als een ‘zachte’ wetenschap. Cognitieve neurowetenschap zou juist een ‘harde’, exacte wetenschap zijn, net als natuurkunde, scheikunde en biologie. ‘Daar is sprake van een denkfout: Wetenschappen zijn niet exact doordat ze gebruikmaken van apparaten in plaats van vragenlijsten, maar doordat ze gebruikmaken van geformaliseerde en getoetste modellen en theorieen. Juist op het snijvlak van neuroscience en psychologie valt in dat opzicht nog een hoop winst te behalen.’

Mind the Gap: A Psychometric Approach to the Reduction Problem (Psychology Press, 2011) – Rogier Kievit (Universiteit van Amsterdam), Jan Willem Romeijn (Rijsuniversiteit Groningen), Lourens Waldorp, Jelte Wicherts, Steven Scholte en Denny Borsboom (Universiteit van Amsterdam)

Recente artikelen