Nieuwsuur: “In tuchtcolleges houden artsen elkaar het hand boven het hoofd”

1
1024

Het medisch tuchtcollege moet op de schop, zo meldt Nieuwsuur. Te gast was hoogleraar Gezondheidsrecht Joep Hubben, lid van de onderzoeksgroep, van de universiteit van Groningen, Utrecht en Pro Facto. Op de vraag, of in tuchtcolleges, artsen elkaar het hand boven het hoofd houden, gaf Hubben aan dat misschien zo lijkt dat het tuchtcollege vaak niet het juiste college is en daarom geen uitspraak kan doen. Het medisch tuchtcollege werkt niet effectief omdat veel zaken er feitelijk niet thuis horen. Het gaat dan vooral om klachten over communicatie die beter door klachtencommissies kunnen worden behandeld. Vorig jaar werden 1572 klachten ingediend. Daarvan werden 201 klachten gegrond verklaard, dat is slechts veertien procent van de klachten. Wel stijgt jaarlijks het aantal klachten met enkele tientallen.

tuchtrechtEen groot deel van de patiënten heeft ook het gevoel dat artsen elkaar de hand boven het hoofd houden of weten niet goed hoe de klachtenprocedure van het medische tuchtcollege werkt. Ook zorgverleners hebben weinig vertrouwen in het tuchtcollege.De onderzoekscommissie, die het onderzoek naar het medisch tuchtrecht deed in opdracht van minister van Volksgezondheid Edith Schippers, stuurt het evaluatierapport deze week naar de Tweede Kamer.

Bron: Nieuwsuur

1 REACTIE

  1. De titel ‘In het Tuchtrecht houden artsen (mensen?) elkaar de hand boven het hoofd’ is passend, maar behoeft dan wel een nadere toelichting, omdat de titel tevens een heimelijke samenzwerings-praxis suggereerd, maar zo heimelijk is deze al heel lang niet meer, alleen met de ontwikkelingen rond Dr. Janssen Steur komt dit onderwerp sterker onder de aandacht. Hoe zal men op de casus Janssen Steur reageren is dan meteen ook een vraag. Ik ken een oud collega van Janssen Steur, die zelf ook adviseerd aan rechters in civiele (claim) procedures. Hij is zelf niet per definitie op de hand van colleage, maar hij beaamt dat de druk van de verzekeraar causaal een sterke negatieve werking op de uitkomst van een zaak kan hebben. Voor een levenslang berokkend leed vangt het slachtoffer verhoudingsgwijs een schijntje ter compensatie, en of dit leed nu per ongeluk of opzettelijk wordt berokkend maakt weinig verschil. Hij verwacht ook niet veel van de strafzaak, en denkt dat welliswaar een strafvonnisje opgelegd kan gaan worden, maar dat de strafmaat ondermaats is in vergelijk met als een gewoon burger een verwijtvare daad die tot vergeljke bare schade heeft geleid zou krijgen. Geld is doorgaans overigens ook de enige comenpastie methode. Money Pays, het recht is het recht van een dikke protemonnee wordt wel eens gezegd… De reden voor het schijnbaar bestaan van een ‘elkaar afeken’ is, dat er een cultuur bestaat van permiteren (en afdekken) van medisch laakbaar handelen als beleid(!), en dan spreken we niet slechts over gewone medische fouten. In dit commentaar geef ik enerzijds een commentaar op het artikel bezien vanuit het perspectief van de zorgaanbieder en beleidsmaker, en anderzijds vanuit het perspectief van het medisch slachtoffer op basis van gedane onderzoeken daarnaar, over hoe het komt dat we in deze situatie in Nederland ons bevinden. Het is een flink stukje tekst, maar de problematiek die speelt is exponentioneel vele malen groter. Beleefd vraag ik daarom uw welwillende aandacht voor het onderstaande.

    Prof Johan Leegemate benoemde tijdens zijn oreade aan de VU in 2006 het bestaan van een oneigenlijke zwijgcultus ten aanzien van het slachtoffer na het ontstaan van letselschade op basis van hoofdzakelijk verzekeringstechnische motieven. Later benoemde hij herhaaldelijk in andere geschriften van zijn hand zelfs het bestaan van een zekere samenspan tussen zorgaanbieders en -bestuur gelijke broeders in crime in het schenden van protocol en regelgeving naar willekeur na het ontstaan letselschade. In zijn geschrift ‘Verantwoordelijkheid nemen voor Kwaliteit’ 2009 VU adviseerde hij dat toezichthouder IGZ een meer dwingende rol moet kunnen aannemen met de mogelijkheid tot het opleggen van voorlopige voorzieningen als maatregel tijdens/voor een te voeren onderzoek. Helaas is anno 2013 hier nog weinig van terecht gekomen en ‘als we wachten tot de patient verdronken is voordat de casus eens gedempt wordt’…, dan zullen meer en meer schandalen zichtbaar gaan worden met de huidige beschikbare media voor iedere burger. Oud minister van Justitie Hirsch Ballin stelde in de KNMG nota Veilig Melden 2007, dat medisch oneigenlijk handelen in afwachting van een medische wetgeving nog steeds niet (!) vervolgd behoeft te worden. Die man doet aangifte tegen zichzelf dunkt mij met instructie van schending van de grondwet met permittering van schending van het aanbieden van een deugdelijke gezondheidszorg en het recht op gelijke behandeling en tevens het garanderen van de veiligheid van de individuele burger. De grondwet is overigens de basis waarvan Justitie haar geweldsmonopolie claimt over de burgerij. In de Groene Amsterdammer van 17 oktober 2013 werd Hirsch Ballin nog geroemd om zijn uitspraken in het programma Buitenhof van de voorgaande zondag over de scheiding der machten en zijn diep respect voor de grondwet; nou dat we hem ook van een zeker willekeur van toepassing van van de grondwet kunnen verwijten moge nu nogmaals duidelijk zijn.

    Er is samengevat zogezegd in beleid in het omgaan met medische fouten in het algemeen een lacune, en de arts zit daarmee op de stoel van de uitvoerder, en de beleidsmaker van het ministerie Volksgezondheid, en ook nog eens op de stoel van de handhaver met een adviserende rol. Ik denk daarom ook dat er een duidelijkere scheiding moet komen tussen uitvoerende artsen zelf en de beleidsmakers en handhavers. Om een simpel voorbeeldje te geven: een gevangenisbewaarder kan een veroordeelde worden, maar een veroordeeld kan geen gevangenisbewaker (meer) worden. De beoordelende taken als wetgever en handhaver dienen beroepsmatig meer afstand tot die van de uitvoerende macht te houden. Dat is natuurlijk een moeilijk te realiseren onderwerp met het princioe banen-hoppen en wederzijdse bekendhied in werkzaamheid samen. Maar het integer toepassen van wet zou al een hele verbetering zijn, want zoals Mr. Rijken KNMG tijdens de Eerste Dag van de Europese Rechten van de Patient (‘Mij een Zorg’ 18 april 2009) al benoemde: de wetten voldoen en nieuwe wetten voegen niks toe dan enkel een lawyersparadise. Als die (medische) wetten dan ook eens integer nageleefd gaan worden ja…

    Vanuit het perspectief van de patient als medisch slachtoffer bestaan ook al diverse onderzoeken die het elkaar de hand boven het hoofd houden met een principe als ‘De Slager die zijn Eigen Vlees Keurt’ beamen. In het artikel van Trudy Newman (vertaling Dodelijke Medische Praktijken zie http://www.slideshare.net/adaqcra/dodelijke-medische-praktijken ) is in de USA de wetenschappelijke terminis Berekende Verstrekking meer gebezigd in praxis in Europa, juist vanwege een zwakkere Juridische cultuur. Hiermee wordt nogmaals duidelijk dat we ook kunnen spreken over het bestaan van gerichte schending van patienten hun welzijn en belang voor medische doeleinden. Eenmaal schade opgedaan begint het secundair vicitimiseren. Zo heeft de VU in het verleden twee onderzoeksverslagen gepubliceerd over de secundaire victimisatie die slachtoffers ten deel valt in de strijd om gerechtvaardige afhandeling van de casus met de verzekeraars in procedure. Maar ook op individueel vlak bestaan hier onderzoeken over van Nivel ‘Ervaringen van Mensen met Klachten over de Gezondheidszorg’ en de UvT ‘Leemten in de Slachtofferhulpverlening’ (resp. http://www.pharos.nl/documents/doc/rapport-klachten-over-de-gezondheidszorg_nivel.pdf en http://www.tilburguniversity.edu/upload/65e717f0-639d-422d-9afa-5c3cf9e1b4d2_apleemten.pdf), waarbij tevens uit naar voren kwam, dat letselschadeslachtoffers per definitie worden gepsychiatriseerd over de ontstane letselschade in gevolge voor het individu direct na het ontstaan ervan. De Ombudsman Hilverum presenteerde in een onderzoek uit 2007 al, dat letselschadedossiers voor 70 % van de onderzochte dossiers onvolledig dan wel aangepast waren op cruciale punten waardoor niet tot een causaal verband gekomen kon worden in bewijs van gerelateerdheid van medisch handelen en de opgedane medische schade voor het individu. Over oneigenlijk handelen gesproken… Neem daar dan nog eens bij dat het verschoningsrecht een barriere vormt in de rechtsgang om lieden te berechten die zich hier op kunnen beroepen (http://www.slideshare.net/adaqcra/gerief-ongelimiteerd-verschoningsrecht), waarbij de deskundige die de rechter moet adviseren zelfs zich mag onttrekken aan zijn/haar rechterlijke taak in functie, dan is het feestje compleet.

    En in die setting moet dan ook het tuchtrecht nog naar behoren kunnen functioneren? NeVeMeDis noemde naar eigen bevindingen dan ook de term het ‘Medisch Kluchtcollege’, en die term zegt eigelijk al genoeg zelfs voor iedereen die (nog) niet echt bekend is met de problematiek….

    WORDT HET NIET EENS TIJD DAT ER IETS GAAT VERANDEREN?
    Persoonlijk denk ik dat behalve de uitbreiding van de macht van toezichthouders met het opleggen van Voorlopige Voorzieningen, zoals prof Leegemate dit als advies benoemde, dat ook het verschoningsrecht in haar wettelijk bestaan een verdere nuancereig behoeft. Het beperken van een oneigenlijk beroep op het verschoningsrecht is hierin een sleutel. In 2000 benoemde prof. mr. Dick Engberts al het braakliggen van het recht met -het nog niet verder uitgewerkt zijn van het verschoningsrecht- en stelde dat het Beroepsgeheim het bijna altijd wint van het Strafrecht. Daarna kwam de studie van mr. Wilma Duijst Phd. die stelde, dat het medisch verschonigsrecht niet dient om de wetenschap af te dekken van een toekomstige ernstige drieiging voor de samenleving -welke door een individu (patient) weldra gepleegd gaat worden. (mr. Wilma Duijst Phd.) Opvolgende is daar weer het gepermitterd zijn van het doorbreken van het verschoningsrecht bij constatering van kindermishandeling bij gekomen. Van mij zou ook de categorie constatering vrouwenhandel hier bij mogen komen overigens… Mr. Charlotte Nortier Phd. benoemde hier opvolgende in 2006 in haar promovendischrift ‘Het Medisch Beroepsgeheim’ (http://www.njb.nl/website/data/actuadoc/adl070703.pdf) , dat als een (kwalijke) kwestie in de algemeenheid al bekend is (media), en dat verder zwijgen hierover juist het elan van de beroepsgroep zal schaden (,want daar dient het verschoninsgrecht primair voor: bescherming van het elan van de beroepsgroep), dan is het doorbreken van het verschoningsrecht gerechtvaardigd. Kortom in volgende stap van ontwikkeling zou er algemeen gesproken in ernstig laakbare kwesties juist een recht op een gebalanceerde doorbreking van de beroepszwijgplicht in een met motieven overwogen gerechtvaardigd besluit tot doorbreking ervan moeten kunnen bestaan (eventueel na/met consultatie met de orde van de beroepsgroep). Misschien dat met name voor medische kwesties hier een pioniersrol ligt, opdat een definitie van ongerechtvaardigd zwijgen vorm gegeven kan worden als contra-balans op de zwijgplicht, want verder zwijgen over ernstig laaknare kwesties zal op termijn juist meer schade betekenen aan het elan en de integriteit van de beroepsgroep.
    Omdat de BEROEPSGROEP zelve een belanrgijke sleutel in handen heeft om verbeteringen in het systeem van beoordelen van medisch handelen en dus ook in het Tuchtrecht, en haar invloed doet gelden op beleidsmakers en handhavers, zou ik een expliciet beroep willen doen op ieder werkzaam individu daarbinnen om zijn/haar stem te laten horen hierover binnen vakgroep, bond of persoonlijk vlak: wordt het niet eens tijd dat er iets gaat veranderen? De tijd om te lachen met een Medisch Kluchtrecht is allang voorbij!

Comments are closed.