Wetsvoorstellen zorg en dwang aangenomen

0
649

Dinsdag 23 januari stemde de Eerste Kamer in met drie wetsvoorstellen die te maken hebben met zorg en dwang.
Maandag 15 en dinsdag 16 januari debatteerde de Eerste Kamer met de ministers De Jonge (VWS) en Dekker (Rechtsbescherming) en staatssecretaris Blokhuis (VWS) over de drie wetsvoorstellen: Wet forensische zorg (32.398 – Wfz), de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (31.996 – Wzd) en de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (32.399 – Wvggz).

Minister De Jonge (VWS) gaf aan dat de behandelde wetten niet de minste zijn in complexiteit en in de mate waarin ze ingrijpen in het leven van mensen. Volgens hem worden hiermee niettemin belangrijke stappen voorwaarts gezet voor cliënten. Tegelijkertijd erkende hij dat de bewindslieden bij hun aantreden eind 2017 aarzelingen hadden zoals de Kamer die ook verwoordde, bijvoorbeeld over de vraag of er wel verschillende wettelijke regimes zouden moeten blijven bestaan.

Volgens De Jonge zijn er goede argumenten om te kiezen voor verschillende regimes voor verschillende doelgroepen, omdat bijvoorbeeld de betrokkenheid van ouders en de mate van zelfstandigheid uiteen kunnen lopen en één wet voor alle doelgroepen ten koste zou kunnen gaan van de uitvoerbaarheid. Daarom is besloten de wetten eerst naast elkaar te laten bestaan en pas bij de evaluatie te bekijken of nadere integratie nodig is, zo betoogde de minister. Je zult altijd verschillen houden, bijvoorbeeld of iedereen gediend is met hetzelfde traject. Het gaat meer om ieder het zijne dan ieder hetzelfde, aldus De Jonge, die – daarnaar gevraagd – niet meteen afwijzend stond tegenover de suggestie om uiteindelijk met één wettelijk kader te komen met differentiërende regels voor verschillende doelgroepen.

De evaluatie gaat volgens De Jonge over zes zaken, te weten: de eventuele meerwaarde van één wettelijk kader, of de administratieve lasten verder omlaag kunnen, de onderlinge relatie tussen de wetten en welke in voorkomende gevallen voorgaat, de toegevoegde waarde van de Wzd-arts, de werking van het zorgplan en het aanpakken van de cultuur van zorg uit handen nemen.

Staatssecretaris Blokhuis, verantwoordelijk bewindspersoon voor de GGZ, sprak uit dat hij stigmatisering van GGZ-patiënten wil tegengaan. Hij geeft de voorkeur aan ‘mensen met verward gedrag’ boven verwarde personen. Het gaat om iemand met verward gedrag om wie je je zorgen maakt. Het kan ook iemand zijn met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap. In beide voorstellen staat goed omschreven om wie het gaat als wordt gesproken over mensen met verward gedrag.

Ten aanzien van de harmonisering van de drie wetsvoorstellen gaf Blokhuis enkele voorbeelden waar dat is gebeurd. Het begrip zorg is gedefinieerd vanuit de inhoud, in alledrie de wetsvoorstellen, en niet financieel zoals eerst bij twee van de drie voorstellen het geval was. Ook gedwongen zorg is in de drie voorstellen geharmoniseerd, evenals het begrip ‘ernstig nadeel’.

De staatssecretaris erkende dat een goed implementatietraject essentieel is. Voor de drie wetsvoorstellen wordt daarom een implementatietraject met de betrokken veldpartijen ingezet.

Minister Dekker (Rechtsbescherming) ging vervolgens uitgebreid in op de zorgen van een groot deel van de Kamer over de voorstellen die de weigerende observandi betreffen en de wettelijke doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Dekker gaf aan dat gemiddeld op jaarbasis 200 verdachten ter observatie worden opgenomen in het Pieter Baan Centrum, waarvan ongeveer de helft weigert. Om die reden is dit nu opgenomen in Wfz. De doorbreking van het medisch beroepsgeheim kan alleen bij zeer zware misdrijven. De gegevens mogen niet gebruikt worden in strafproces, maar zijn alleen om vast te stellen dat het wenselijk is dat tbs wordt opgelegd. Is dat het geval, dan straf opleggen en als er sprake is van een stoornis iemand op de juiste plek onderbrengen. Met deze wettelijke doorbreking van het medisch beroepsgeheim moet terughoudendheid worden betracht.

Ten aanzien van het voorstel van de Autoriteit Persoonsgegevens gaf de minister aan het interessant te vinden, maar niet op korte termijn te willen invoeren. Wel zegde hij toe er serieus naar te willen kijken. Hij wil de illusie wegnemen dat het een eenvoudige vervanging is. Je kunt een verdachte niet verplichten mee te werken, maar je kunt wel proberen op een andere manier aanwijzingen te vinden, zoals in de eerdere zorggeschiedenis, aldus Dekker. De uitslag van de stemmingen vindt u hier.

Bron: Eerste Kamer