‘Iedereen moet een beroerte kunnen herkennen’

0
1092
Cyber brain

‘De patiënten sneller in het ziekenhuis krijgen: vooral daarmee zouden we meer beroertepatiënten kunnen helpen’, zegt interventieradioloog prof. dr. Maurits Voormolen. Door een intensieve opvolging nadien probeert het UZA er voor iedereen het maximum uit te halen.

Dagelijks krijgen 52 Belgen een beroerte. Vanaf de eerste symptomen tikt de klok: hoe sneller de patiënt na een herseninfarct of een andere vorm van beroerte een behandeling ondergaat, hoe minder hersenweefsel er verloren gaat en hoe beter de vooruitzichten. De behandeling bestaat uit een trombolyse, dat is een behandeling met bloedverdunnende medicatie, of een trombectomie, een ingreep waarbij de bloedklonter door een interventieradioloog wordt verwijderd (zie artikel p. 21). Soms gebeuren beide. Toch ondergaat in België maar 5 procent van de beroertepatiënten een van die behandelingen. Een ontstellend laag cijfer. ‘Zeker als je weet dat de meerderheid daarvoor wel degelijk in aanmerking komt. We zien ze gewoon te laat’, zegt prof. dr. Maurits Voormolen. Een acute behandeling is dan ook maar mogelijk, bij de meeste patiënten althans, tot een goeie vier à zes uur na de eerste symptomen. Die deadline halen velen niet, vaak omdat ze te lang aarzelen om medische hulp in te roepen. 

Koploper in Vlaanderen

Voormolen voerde in 2010 als een van de eerste artsen in België een trombectomie uit. Die behandeling bestond toen nog maar een tweetal jaar. ‘De ingreep kende een hoge vlucht vanaf 2015, nadat studies hadden aangetoond dat een trombectomie veilig en efficiënt is. In het UZA voeren we intussen meer dan honderd trombectomieën per jaar uit, waarmee we tot de absolute koplopers in Vlaanderen behoren.’

Met de jaren werd de techniek verder verfijnd. Voormolen: ‘Maar het zijn niet die technische verbeteringen die ons in staat zullen stellen om meer patiënten beter te maken. We moeten vooral inzetten op een grotere alertheid rond beroertes: mensen moeten de symptomen snel herkennen en beseffen dat het altijd een noodgeval is. En ook huisartsen moeten nog beter op de hoogte zijn. Als ziekenhuis houden we daarom een à twee keer per jaar een symposium of congres voor huisartsen en specialisten en werken we nauw samen met de huisartsen. We hebben ook een goede informatieve website voor patiënten. Bovendien vormen we een netwerk met andere ziekenhuizen in de brede regio).’ 

Time is brain

Intussen zoeken ziekenhuizen naar manieren om in die eerste acute fase tijd te winnen. ‘Zo proberen we zoveel mogelijk informatie over patiënten in te winnen nog voor ze op de spoed aankomen, zodat ze hier onmiddellijk naar de scanner kunnen. Dat lukt alleen dankzij een naadloze samenwerking tussen neurologie, spoed en radiologie’, zegt neurologe dr. Caroline Loos. Maar het kan nog beter, vervolgt ze. ‘Recent deden we een onderzoeksproject rond telegeneeskunde, waarbij de spoedarts via een camera in de ziekenwagen al in contact staat met de neuroloog in het ziekenhuis. Als de neuroloog vermoedt dat de patiënt een beroerte heeft, kan die meteen na aankomst in het UZA naar de scanner. Zo win je belangrijke tijd. Het is de bedoeling om daarmee voort te gaan.’

Om nog sneller te kunnen behandelen, bekijken we momenteel of dat CT-onderzoek op de angiografie-zaal kan gebeuren: dat is de eenheid waar trombectomieën worden uitgevoerd. ‘Als we daar kunnen nagaan wat voor beroerte de patiënt heeft, kunnen we indien nodig al op de onderzoekstafel met trombolyse of trombectomie starten’, zegt Voormolen. 

Hersenen vroeg stimuleren

Na de acute behandeling en eventueel een verblijf op intensieve zorg komen patiënten op de beroerte-afdeling terecht. Gespecialiseerde beroerteverpleegkundigen volgen hen nauwgezet op om eventuele complicaties vroeg te ontdekken. Loos: ‘Tegelijk starten we zo vroeg mogelijk met de revalidatie. Hoe vroeger we de hersenen stimuleren, hoe sneller ze geprikkeld worden om nieuwe verbindingen aan te leggen: die zijn nodig om de verloren hersenfunctie te compenseren. Als het enigszins mogelijk is, krijgen de patiënten al binnen de 24 uur een kinesitherapeut aan hun bed.’  

Loos ondervindt dat de onzichtbare gevolgen van een beroerte op termijn vaak zwaarder wegen dan de fysieke beperkingen: denk maar aan vermoeidheid, concentratiestoornissen, geheugenverlies, depressieve gevoelens, angstklachten, gedragsverandering … Loos: ‘Het zijn vaak die problemen die een terugkeer in de maatschappij het meest bemoeilijken. Daarom volgen wij onze patiënten de eerste twee jaar intensief op. Vanaf het begin krijgen ze begeleiding van een beroertecoach, die hun gezondheidsadvies en de nodige uitleg over hun aandoening geeft. Later leert de coach patiënten ook omgaan met de mentale gevolgen van hun beroerte en begeleidt hen bij eventuele werkhervatting. 

Op die manier probeert het team er voor elke patiënt het maximale uit te halen. ‘Als patiënten bijvoorbeeld na hun beroerte niet meer aan het werk kunnen, dan kunnen ze ook op een andere manier opnieuw actief worden, bijvoorbeeld via vrijwilligerswerk. Wat telt, is dat ze opnieuw hun plaats vinden in de maatschappij’, besluit Loos. 

Info: dienst neurologie UZA, T 03 821 34 23, dienst radiologie UZA, T 03 821 48 48, www.uza.be/behandeling/beroerte-cva

Beroertezorg

Wat?
Als gespecialiseerd centrum voor beroertezorg beschikt het UZA over een vernieuwde beroerte-afdeling en een grote afdeling intensieve zorg, zodat er op elk moment plaats is om een patiënt met een acute beroerte op te vangen. 
Wie?
In de acute fase worden patiënten opgevangen door de spoedarts, de neuroloog, de radioloog, de spoedverpleegkundigen en de interventieradioloog. Tijdens de revalidatie komen daar nog eens de kinesitherapeut, de logopedist, de ergotherapeut, de revalidatiearts, de beroerteverpleegkundigen, de beroertecoach, de diëtist, de neuropsychologe en soms de geriater bij. 
Waarom?
Hoe sneller patiënten na een beroerte een multidisciplinaire behandeling krijgen, hoe beter hun vooruitzichten.

Bron: UZA