Activiteiten rond de aanpak van Q-koorts

0
285

Stand van zaken ruimingen d.d. 6 januari 2010
Er zijn 21 bedrijven geruimd (8724 dieren). De Welzijnscommissie is bij vijf ruimingen geweest en
constateert dat het dierenwelzijn goed in acht wordt genomen. Op dit moment zijn 61 bedrijven besmet op grond van het tankmelkonderzoek. De uitslag van de volgende ronde tankmelkmonitoring verwachten wij over ongeveer één week te ontvangen. Op dit moment zijn op 24 bedrijven de dieren gescand om onderscheid te maken tussen drachtige en niet-drachtige dieren. Vervolgens zijn de drachtige geiten getaxeerd. 21 bedrijven zijn geruimd (8724 dieren). De Welzijnscommissie is tot nu toe bij vijf ruimingen aanwezig geweest. De Commissie heeft vastgesteld dat het dierenwelzijn door alle betrokkenen goed in acht wordt genomen. Het vastgestelde tweestappenprotocol van eerst verdoven en dan euthanaseren voorkomt onrust en pijn bij de dieren, ook bij de niet te ruimen dieren. De verslagen van de Welzijnscommissie worden gepubliceerd op de
website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.minlnv.nl).

Kleinschalige houderijen met minder dan 50 kleine herkauwers, zoals kinderboerderijen
Minister Klink heeft de deskundigengroep onder leiding van het RIVM advies gevraagd over het volkgezondheidsrisico ten aanzien van Q-koorts op kinderboerderijen, andere bedrijven met minder dan 50 kleine herkauwers en bedrijven met een publieksfunctie. Deze adviezen hebben we ontvangen (bijlagen). De deskundigen geven aan dat uit epidemiologisch casuscontrole onderzoek blijkt dat direct contact met geiten of schapen niet als risicofactor naar voren komt. Het advies geeft bovendien aan dat uit recente onderzoekgegevens blijkt dat op kinderboerderijen in Nederland slechts zeer zelden C. burnetii aangetoond wordt.

Daarnaast zijn er geen epidemiologische aanwijzingen waaruit blijkt dat kinderboerderijen en andere kleine bedrijven een hoog risico vormen voor de gezondheid. Om die reden zien de deskundigen geen noodzaak om aanvullende maatregelen te nemen voor genoemde bedrijven. Het advies om bij kleinschalige houderijen van schapen en geiten nog eens extra aandacht te vragen voor hygienemaatregelen nemen wij over. Voor kleinschalige houderijen van schapen en geiten wordt een hygieneprotocol opgesteld met algemene hygieneadviezen. De genoemde adviezen van de deskundigen, zoals het gescheiden van het publiek laten aflammeren van schapen en geiten worden hierin opgenomen. Alle kleinschalige houders worden geïnformeerd over deze hygieneprotocollen. De hygienemaatregelen zijn voor besmette en niet-besmette bedrijven gelijk.
Het advies om wanneer de abortussen gemeld worden in het kader van Brucella Melitensis, ook te testen op Q-koorts, nemen wij over. Het advies van de deskundigen om op kleinschalige bedrijven binnen een straal
van 5 km van besmette bedrijven met vaginaalswabs te monitoren, wordt niet over genomen.

Onderzoek met vaginaalswabs geeft onbetrouwbare informatie over de volksgezondheidsrisico’s van bedrijven. De test wordt bijvoorbeeld al positief bij 1 bacterie op een swab, terwijl een dergelijk bedrijf geen risico voor de volksgezondheid hoeft te zijn. De Q-koortsbacterie is endemisch in Nederland en kan eveneens in de omgeving worden aangetoond. Het doen van vaginaalswabs en de uitkomst daarvan is dan ook geen aanleiding om andere of extra maatregelen te nemen.
Het advies van de deskundigen om alle schapen en geiten op kleinschalige houderijen op te nemen in het vaccinatieprogramma 2010 is reeds onderdeel van onze vaccinatiestrategie voor 2010.

Vleesschapenbedrijven
Vleesschapen kunnen ook grootschalig gehouden worden. Op grootschalige vleesschapenbedrijven wordt ook door grote aantallen ooien tegelijk afgelammerd in strostallen. Omdat deskundigen aangeven dat de bron van de humane epidemie gevonden kan worden in de grootschalige melkgeiten- en melkschapenhouderij,
zijn de meeste maatregelen op die categorie bedrijven gericht. Deskundigen geven in hun advies van 24 juli 2009 aan dat er geen aanwijzingen zijn dat vleesschapenbedrijven een rol spelen in de epidemie. Het advies van de deskundigen van 24 juli is meegestuurd met onze brief van 28 augustus 2009 (TK 28 286, nr. 314). Uit voorzorg hebben wij besloten om voor grootschalige vleesschapenbedrijven hetzelfde beleid te hanteren als voor de kleinschalige houders.

Communicatie
De berichtgeving op internet over Q-koorts wordt door de overheid gemonitord. De online monitoring
laat zien waar burgers zich zorgen over maken. Zo blijkt dat er veel discussie is over de noodzakelijkheid van het doden van gezonde drachtige dieren. Minister Verburg heeft daarom in een persoonlijk (weblog)bericht op www.minlnv.nl uitgelegd waarom zij deze drastische maatregelen moesten nemen. Het bericht is ook via twitter@qkoorts verspreid.

Betrokken bestuurders van de gebieden met besmette bedrijven zijn geïnformeerd in bijeenkomsten per regio (noord, zuid, oost, west). Verder worden bestuurders regulier rechtstreeks op de hoogte gehouden over de
planning van de ruimingen en beleidswijzigingen en wordt naar behoefte overlegd. Ook hebben in de afgelopen weken verschillende informatiebijeenkomsten over Qkoorts voor burgers plaatsgevonden, vooral in het oosten van het land. Het initiatief voor de bijeenkomsten werd genomen door de burgemeester, veelal op basis van vragen van verontruste burgers uit de gemeente. Conform de toezeggingen heeft minster Verburg, samen met de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), medewerking daaraan verleend. Deze bijeenkomsten en
communicatiemogelijkheden zullen desgewenst ook de komende periode worden benut.

______________________________________________________________

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR,
EN VOEDSELKWALITEIT,

G. Verburg

Postbus 1
3720 BA Bilthoven
A. van Leeuwenhoeklaan 9
3721 MA Bilthoven
Tel (030) 274 91 11
Fax (030) 274 29 71
info@rivm.nl
www.rivm.nl
Datum
23 december 2009
Ons kenmerk
853/2009/LCI/JvS/LI
Blad
1/5
Behandeld door
Leslie Isken
Landelijke Coördinatie
Infectieziektebestrijding
Tel (030) 274 7000
Fax (030) 274 4455
lci@rivm.nl
Minsterie van VWS
t.a.v. de heer P.H. Huyts
Ministerie van LNV
t.a.v. mevrouw A. Burger
Onderwerp
Advies kinderboerderijen e.a.
Geachte heer Huyts, geachte mevrouw Burger,
Op 16 december 2009 ontving ik uw verzoek om advies ten aanzien van het Qkoortsbeleid
op kinderboerderijen, andere bedrijven met minder dan 50 kleine
herkauwers en bedrijven met een publieksfunctie. De vragen heb ik aan een aantal
veterinaire deskundigen en een GGD-arts voorgelegd1. Ik geef u puntsgewijs een
onderbouwing en antwoord op uw vragen.
De recent afgekondigde maatregelen op melkgeiten- en melkschapenbedrijven zijn
bedoeld om tijdens het lammerseizoen van 2010 de enorme hoeveelheden extra
uitscheiding van Coxiella burnetii zo veel mogelijk te voorkomen. Tegelijkertijd is
bekend dat veel andere dieren incidenteel bron kunnen zijn voor Q-koorts bij de mens.
De melkgeiten – en in mindere mate de melkschapenhouderijen – met
abortusproblematiek worden in Nederland als de belangrijkste bron gezien van de
unieke Q-koortsepidemie vanaf 2007 tot op heden. De maatregelen zijn er daarom nu
vooral op gericht om in deze categorie bedrijven abortus en aflammeren van besmette
dieren te voorkomen. Het streven is om terug te keren naar de situatie van voor 2007
waarbij Q-koorts slechts incidenteel aanleiding geeft tot ziekte bij de mens.
In onderstaand advies gaan de deskundigen in op eventueel aanvullend beleid voor
kinderboerderijen, andere bedrijven met minder dan 50 kleine herkauwers en bedrijven
met een publieksfunctie. In 2009 zijn de meeste van deze bedrijven in het
vaccinatiegebied gevaccineerd. Alle houders van schapen en geiten die niet meedoen
met het tankmelkonderzoek, kunnen het keurmerk zoönosen van de Gezondheidsdienst
voor Dieren (GD) aanvragen. Bezoekers kunnen voorafgaand aan het bezoek
informeren naar de Q-koortsstatus van het bedrijf.
1) Wat is de mate van risico van bedrijven met minder dan 50 schapen en geiten,
kinderboerderijen en andere dierhouderijen met een publieksfunctie?
Overweging
Uit een epidemiologisch casuscontroleonderzoek kwam direct contact met geiten of
schapen niet als risicofactor naar voren, wel contact met hooi en stro. Wanneer mensen
op een kinderboerderij of op een ander klein bedrijf met geiten of schapen in contact
komen met dieren die besmet zijn met Q-koorts, bestaat er een potentieel kleine kans
dat zij besmet raken en mogelijk ziek worden. De kans daarop is in het winterseizoen
minimaal.
In Nederland zijn ongeveer 500 kinderboerderijen geregistreerd. In 2009 is op verzoek
van de VWA door het CIb (dr. A. de Bruin en dr. B. van Rotterdam) bij 97
1 Een conceptadvies is voorbereid door deskundigen van CIb, CVI. Daarna is het concept per e-mail
voorgelegd aan de overige leden van het deskundigenberaad, van wie de namen in bijlage 1 weergegeven
zijn.
Datum
23-12-2009
Ons kenmerk
853/2009/LCI/JvS/LI
Blad
2/5
kinderboerderijen, verspreid over het hele land, onderzoek gedaan naar het voorkomen
van Q-koorts. Er zijn 1384 monsters (vaginaalswabs) van diverse diersoorten genomen
(kleine herkauwers hadden voorrang in de bemonstering). Bij dit onderzoek blijkt 96%
van de monsters PCR-negatief. Twee van de 1384 monsters (van twee verschillende
bedrijven) waren duidelijk PCR-positief. De overige monsters waren zwak positief, wat
aangeeft dat er geen grote hoeveelheden werden uitgescheiden.
In 2008 is een cluster Q-koortspatienten geïdentificeerd gerelateerd aan een
psychiatrische inrichting in Nijmegen waarbij de daar gehouden kleine herkauwers de
waarschijnlijke bron waren. Tot nu toe zijn er geen aanwijzingen dat andere clusters
patienten door kinderboerderijen of andere bedrijven met minder dan 50 kleine
herkauwers besmet zijn geraakt. In de wetenschappelijke literatuur zijn meerdere
clusters beschreven van Q-koortspatienten waarbij de aanwezigheid bij het lammeren
van een geïnfecteerd dier de bron is geweest.
Antwoord
Er zijn geen gegevens beschikbaar waaruit is af te leiden wat de mate van risico is voor
omwonenden of recreanten bij bedrijven met minder dan 50 schapen en geiten en
andere dierhouderijen met een publieksfunctie. Uit recente onderzoeksgegevens blijkt
dat op kinderboerderijen in Nederland slechts zeer zelden C. burnetii wordt
uitgescheiden. Daarnaast zijn er geen epidemiologische aanwijzingen waaruit blijkt dat
kinderboerderijen en andere kleine bedrijven een hoog risico vormen voor de
volksgezondheid. Uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat het aanwezig zijn bij
het aflammeren van geïnfecteerde dieren en het in de nabijheid verblijven, een risico is
op het krijgen van Q-koorts. Dit geldt nu in Nederland evenzeer als in de periode voor
2007.
a) Wij adviseren u om nu in algemene zin geen aanvullende maatregelen te nemen
voor genoemde groepen bedrijven. Het was en blijft van belang om alle
bedrijven met een publieksfunctie uit voorzorg te wijzen op
hygienemaatregelen, met name rond aflammeren2.
2) Hoe kunnen we besmette bedrijven in beeld brengen, wetende dat een deel van
deze bedrijven niet melkleverend is, waardoor tankmelkmonitoring niet mogelijk
is.
Overweging
Het identificatie- en registratiesysteem (I&R) voor kleine herkauwers zal per 1 januari
2010 operationeel worden. Dit betekent dat vanaf 1 januari 2010 alle bedrijven en
bedrijfjes met kleine herkauwers zijn opgenomen in de I&R-database van LNV.
De nu reeds geregistreerde kleine bedrijven en hobbyhouders zijn geïnformeerd over Qkoorts
en de te hanteren hygienemaatregelen.
Wanneer twee of meer Q-koortspatienten woonachtig zijn in de buurt van een
geregistreerd bedrijf of hobbyhouder met kleine herkauwers, verricht de VWA op
verzoek van de GGD onderzoek op het betreffende bedrijf. Dit is een
probleemgestuurde inventarisatie waardoor niet structureel alle eventueel positieve
dieren bekend zijn. Juist van die bedrijven met een verdenking van Q-koorts op basis
van de aanwezigheid van Q-koortspatienten in de omgeving, is de status nu wel bekend.
Dit beleid wordt in 2010 voortgezet.
De abortusmeldingsplicht is ook van toepassing op alle niet melkleverende bedrijven
(vanwege brucellose). De VWA bezoekt en bemonstert in dat geval het bedrijf op
Brucella melitensis.
Zoals mensen in een 5-kilometerzone rond een tankmelkpositief bedrijf een verhoogd
risico hebben op Q-koorts, geldt dat ook voor de daar verblijvende dieren. Met name de
2 Zie hiervoor ook de bestaande richtlijn ‘Code voor hygiene op kinderboerderijen in Nederland 2004’:
www.vwa.nl/cdlpub/servlet/CDLServlet?p_file_id=10549
Datum
23-12-2009
Ons kenmerk
853/2009/LCI/JvS/LI
Blad
3/5
kleine herkauwers in dat gebied kunnen bij abortus of aflammeren weer een bron zijn
van ziekte bij de mens.
Antwoord
a) De bedrijven en bedrijfjes met kleine herkauwers die vanaf 1 januari 2010
nieuw worden opgenomen in de I&R-database van LNV moeten geïnformeerd
worden over Q-koorts en de te hanteren hygienemaatregelen.
b) Wanneer de VWA in het kader van de abortusmeldingsplicht niet
melkleverende bedrijven bezoekt en bemonstert op Brucella melitensis
adviseren wij de VWA om ook altijd te onderzoeken op aanwezigheid van C.
burnetii. Als na onderzoek blijkt dat de Q-koortsbacterie aanwezig is, wordt het
bedrijf besmet verklaard.
c) Wij geven u in overweging om alle bedrijven met minder dan 50 schapen en
geiten, kinderboerderijen en andere dierhouderijen met een publieksfunctie
binnen de 5-kilometerzone van tankmelkpositieve bedrijven te laten
onderzoeken op de aanwezigheid van C. burnetii, bijvoorbeeld door
vaginaalswabs.3
3) Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen op deze bedrijven om
het risico voor de volksgezondheid te verkleinen en welk effect kan verwacht
worden van deze maatregelen?
Overweging
Het ontbreekt aan voldoende epidemiologische verbanden om te spreken van een sterk
verhoogd risico voor de volksgezondheid op Q-koorts door genoemde bedrijven en
bedrijfjes. Niettemin kunnen aborterende en aflammerende dieren op kleine bedrijfjes
een bron worden voor ziekte bij de mens. Gezien de massale verontreiniging met C.
burnetii in het milieu in de voorgaande drie jaren, is de kans reeel dat er ook op deze
bedrijven dieren geïnfecteerd zijn geraakt. In het vaccinatiegebeid 2009 zijn niet alle
bedrijven met kleine herkauwers gevaccineerd.
Op positieve bedrijven kunnen aanvullende preventieve maatregelen toegepast worden
om overdracht naar de mens te beperken. Daarbij is het wenselijk om maatwerk te
leveren waarbij de GGD en VWA in overleg met de dierenartspracticus op de situatie
toegespitst beleid aan de lokale bestuurders kunnen adviseren.
Antwoord
Voor bedrijven met minder dan 50 schapen en geiten, kinderboerderijen en andere
dierhouderijen met een publieksfunctie adviseren wij:
a) geen ingrijpende maatregelen te nemen, zoals het ruimen van dieren dat nu is
afgekondigd voor de grote melkleverende geiten- en schapenbedrijven, gezien
het beperkte risico voor 2010 en het ontbreken van epidemiologische
verbanden;
b) te waarborgen dat deze bedrijven hygienemaatregelen hanteren;
c) de kleine herkauwers op al deze bedrijven op te nemen in het
vaccinatieprogramma 2010.
Uit voorzorg adviseren wij aanvullend beleid voor de bedrijven binnen de 5-
kilometerzone van tankmelkpositieve melkgeiten- of schapenbedrijven door3:
a) er zorg voor te dragen dat drachtige dieren afgezonderd van het publiek
aflammeren;
b) bedrijven te onderzoeken op aanwezigheid van de verwekker van Q-koorts.
3 De deskundigen van de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) zijn in tegenstelling tot de andere
deskundigen van mening dat bij de bedrijven in de 5-kilometerzone rond bewezen tankmelkpositieve
bedrijven geen aanvullend onderzoek verricht hoeft te worden als zo’n onderzoek ook niet wordt uitgevoerd
bij andere dieren die een bron kunnen zijn van C. burnetii.
Datum
23-12-2009
Ons kenmerk
853/2009/LCI/JvS/LI
Blad
4/5
Indien deze bedrijven positief worden bevonden kan geen algemene regelgeving van
toepassing verklaard worden.
Wij adviseren per bedrijf:
a) met de dierenartspracticus te onderzoeken of dieren die positief blijken
antibiotisch behandeld kunnen worden om de kans op abortus te verlagen en de
uitscheiding bij een voldragen partus te verminderen;
b) een bezoekerswaarschuwing in te stellen met specifieke aandacht voor
risicogroepen;
c) om positieve van negatieve dieren te scheiden.
Hoogachtend,
prof.dr. R.A. Coutinho
directeur Centrum Infectieziektenbestrijding
Bijlage: geraadpleegde deskundigen
Datum
23-12-2009
Ons kenmerk
853/2009/LCI/JvS/LI
Blad
5/5
Bijlage 1
Deelnemerslijst deskundigen aanvullende vragen 16 december
Voorzitter:
Dhr. R. Coutinho, directeur, Centrum Infectieziektebestrijding, RIVM
Deelnemers
Dhr. G. van Dinther, dierenarts, Diergeneeskundig centrum de Overlaet Oss
Dhr. H.J. Roest, dierenarts, hoofd Cluster Algemene Bacteriologie en Visziekten CVI
Wageningen UR
Dhr. F. G. van Zijderveld, divisiehoofd bacteriologie & TSE’s en plaatsvervangend directeur
CVI Wageningen UR
Dhr. O. Stenvers, dierenarts LCI/CIb/RIVM
Dhr. P. Vellema, afdelingshoofd Small Ruminant Health, GD Deventer
Dhr. D. Dercksen, dierenarts, specialist in Small Ruminant Health Care, GD Deventer
Dhr. R. ter Schegget, arts Maatschappij en Gezondheid, GGD Brabant-Zuidoost
Secretaris
Dhr. J. van Steenbergen, arts infectieziektebestrijding, epidemioloog, hoofd LCI
Notulist
Mw. L. Isken, beleidsmedewerker, LCI/CIb/RIVM
Postbus 1
3720 BA Bilthoven
A. van Leeuwenhoeklaan 9
3721 MA Bilthoven
Tel (030) 274 91 11
Fax (030) 274 29 71
info@rivm.nl
www.rivm.nl
Datum
5 januari 2010
Ons kenmerk
03/2010/ LCI/ JvS/TO
Blad
1/3
Behandeld door
T. Oomen
Landelijke Coördinatie
Infectieziektebestrijding
Tel (030) 274 7000
Fax (030) 274 4455
ton.oomen@rivm.nl
1
Ministerie van LNV, t.a.v. mevrouw A. Burger,
Minsterie van VWS, t.a.v. de heer P.H. Huyts
Onderwerp
Aanvullend advies kinderboerderijen e.a.
Geachte heer Huijts, geachte mevrouw Burger,
Op 31 december ontving ik van u vragen naar aanleiding van het advies over het
Q-koortsbeleid op kinderboerderijen wat ik u op 23 december stuurde.
De aanvullende vragen heb ik opnieuw aan een aantal veterinaire deskundigen
voorgelegd. Ik geef u puntsgewijs een antwoord op uw vragen.
1. Hoeveel inzicht geven swabs?
Op niet-melkgevende bedrijven zoals hobbyhouderijen en kinderboerderijen zijn
vaginaalswabs het enige monstermateriaal dat genomen kan worden om de
besmettingsstatus van een dier vast te stellen. Om de besmettingsstatus van een dier vast
te stellen zal herhaald bemonsteren en testen nodig zijn om met een steeds groter
wordende zekerheid vast te stellen of een dier met C. burnetii besmet is. Hoe vaak er
bemonsterd en getest zal moeten worden is niet aan te geven omdat gegevens over de
voorspellende waarde van de test in dit stadium van de infectie, vlak voor het
aflammeren, ontbreken. Door middel van het herhaald testen wordt de kans groter dat
positieve dieren worden geïdentificeerd.
2. Hoe effectief is de antibioticabehandeling?
De werkzaamheid van antibiotica bij de behandeling van Q-koorts bij kleine herkauwers
is onduidelijk. In vitro is Coxiella gevoelig voor verschillende antibiotica. Over de
effectiviteit van een behandeling in vivo zijn weinig gegevens beschikbaar. Ook dient
rekening gehouden te worden met residuen-problematiek en de economische
haalbaarheid van een behandelingspoging. Om uitscheiding van Coxiella tijdens abortus
en lammeren te voorkomen bestaat een Frans regime van een tweemalige behandeling
in de laatste maand van de dracht met oxytetracycline. In een recente publicatie is dit
regime niet effectief gebleken.
Bij de behandeling van hobbydieren, zoals op een kinderboerderij, zijn er principe meer
opties dan de kortdurende tweemalige behandeling. De dieren worden immers niet voor
de voedselproductie gehouden en de te behandelen aantallen dieren zijn laag. Bij gebrek
aan literatuurgegevens is het, in analogie met wel beschikbare humane data, redelijk te
veronderstellen dat een behandelingspoging bij kleine herkauwers de meeste kans op
Datum
5 januari 2010
Ons kenmerk
3/2010/LCI/JvS/TO
Blad
2/3
2
succes maakt vlak na ontstaan van de infectie. Behandeling van een chronische infectie
is een langdurige aangelegenheid.
Het probleem is dat een recente infectie bij kleine herkauwers niet herkend wordt. De
uitkomst van een therapiepoging is daardoor moeilijk te voorspellen. Een maandenlange
behandeling van dieren is vanwege de kans op resistentie-ontwikkeling niet wenselijk.
Antibioticumbehandeling kan effectief zijn als het wordt ingezet als vroegbehandeling
van recent positief geworden dieren, dus alleen als het gecombineerd wordt met
regelmatige bemonstering.
3. Wat betekent de gescheiden bevalling/het aflammeren precies? Is dat effectief?
Vindt aflammeren plaats in gesloten ruimte?
In het advies van 23 december adviseer ik aan u aanvullend beleid voor kleine bedrijven
binnen de 5-kilometerzone van tankmelkpositieve bedrijven. Een van de adviezen is om
er zorg voor te dragen dat drachtige dieren afgezonderd van het publiek kunnen
aflammeren. In de praktijk geldt dit vooral voor de kinderboerderijen die een actieve
publieksfunctie vervullen. Kinderboerderijen beschikken altijd over een stal waar de
drachtige dieren kunnen aflammeren. Deze ruimte kan (gedeeltelijk) worden afgesloten
en dient in deze situatie niet toegankelijk te zijn voor het publiek. Dit geeft voor de
beheerder de mogelijkheid om beter toe te zien op een normaal verlopende geboorte en
het zorgvuldig opruimen van het geboortemateriaal. De hygienecode voor
kinderboerderijen 1 geeft hiervoor concrete aanwijzingen, evenals voor de persoonlijke
beschermingsmaatregelen voor de betreffende medewerker.
Het vanaf vier maanden na dekking in afzondering plaatsen (in een gesloten ruimte) en
aflammeren van kleine herkauwers op kinderboerderijen binnen de 5-kilometerzone van
tankmelkpositieve bedrijven, beperkt de kleine kans op verspreiding van potentieel
aanwezige C. burnetii.
4. Als swabs niet doeltreffend zijn en/of antibiotica onvoldoende effectief is, is het
dan überhaupt niet zinvol in gesloten ruimten af te lammeren?
Door het aflammeren in afgescheiden ruimten te laten plaatsvinden, neemt de controle
op het aflammeren cq het aborteren toe. Tevens kan de nageboorte effectief worden
verwijderd. Als er C. burnetii vrij zou komen wordt dit ook beperkt tot een kleiner
afgebakend gebied. Het is niet noodzakelijk om aanvullende maatregelen (zoals het
afgezonderd aflammeren) te nemen voor genoemde groepen bedrijven buiten de 5-
kilometerzone rond tankmelkpositieve bedrijven.
5. Is het voldoende om de aanvullende maatregelen, zoals een bezoekersverbod, te
beperken tot de besmette (5-kilometerzone) gebieden?
U geeft aan dat het begrenzen van de aanpak tot besmette bedrijven/gebieden de
afgelopen jaren niet effectief is gebleken. Dat betreft de aanpak voor de grote
melkgeitenbedrijven met abortusproblematiek die worden gezien als de belangrijkste
bron voor de Q-koortsepidemie. Het criterium voor het besmet zijn van een bedrijf was
5% abortus en positieve identificatie van C. burnetii.
Hierdoor zijn besmette bedrijven gemist. Er was tot voor kort geen vervoersverbod voor
dieren vanaf positieve bedrijven, waardoor nieuwe bedrijven besmet zijn geraakt.
Inmiddels is het meldcriterium verscherpt en een vervoersverbod ingesteld, waardoor
1 Zie hiervoor ook de bestaande richtlijn ‘Code voor hygiene op kinderboerderijen in Nederland 2004’:
www.vwa.nl/cdlpub/servlet/CDLServlet?p_file_id=10549
Datum
5 januari 2010
Ons kenmerk
3/2010/LCI/JvS/TO
Blad
3/3
3
bij veel bedrijven (eerder) aanvullende maatregelen genomen zullen worden. Hoge
effectiviteit van de vaccinatie mocht niet verwacht worden vanwege de beperkte
beschikbaarheid van vaccin en het vertraagde effect (pas een lammerseizoen later).
Tot op heden zijn er geen epidemiologische aanwijzingen waaruit blijkt dat
kinderboerderijen, vleesschapenbedrijven en andere kleine bedrijven een hoog risico
vormen voor de volksgezondheid. De deskundigen zien nu geen argumenten om een
bezoekersverbod of andere aanvullende maatregelen te nemen voor genoemde groepen
bedrijven buiten de 5-kilometerzone rond tankmelkpositieve bedrijven.
Mocht er naar aanleiding van dit advies inhoudelijke verduidelijking of toelichting
nodig zijn, dan kan daarvoor direct contact op worden genomen met de deskundigen
van het Centraal Veterinair Instituut.

Hoogachtend,

prof.dr. R.A. Coutinho
directeur Centrum Infectieziektenbestrijding
Bijlage: Geraadpleegde deskundigen

Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit