Biotech-innovaties leiden hier niet tot economisch succes

0
281

De Nederlandse universitaire onderzoekslaboratoria kunnen een aanzienlijke rol spelen bij de ontwikkeling in de biotechnologie. Het is te merken dat er miljarden aan belastinggeld in de universiteiten wordt gestoken. Maar economisch ongunstig is dat dit vooralsnog niet heeft geleid tot een aanzienlijke toename van bedrijvigheid in Nederland.

De overheidsregulatie maakt toelating en vergoeding van innovatieve zorgproducten in Nederland extreem moeizaam. Dit schrikt risicokapitaal af. Betere regulatie biedt een structurele oplossing voor de malaise in de nationale biotechnologische bedrijvigheid. Met de huidige situatie kan Nederland nu eenmaal niet tippen aan het succes van de regio van Massachusetts of van een bedrijf als Synecor (eveneens VS).

Daarnaast zou de Nederlandse overheid niet alleen geld in research moeten steken, maar ook in maatschappelijk relevante innovatie door biotechnologische bedrijven. In het buitenland investeren overheden daarin, bijvoorbeeld in Japan en Singapore en dichter bij huis in Zwitserland. Nederland mist nu de boot op biotech gebied, ondanks alle overheidsinvesteringen.

Bedrijven als DSM, met een jaaromzet van € 8 mrd en 22.700 werknemers wereldleider in kunststoffen, doen nu bijna uitsluitend zaken met buitenlandse biotech bedrijven. DSM werkt samen met biotechnologie-instituten die meer geavanceerde medische bio-interactieve producten onderzoeken. Bijvoorbeeld methoden om groeifactoren voor stamcellen, kraakbeen of botcellen aan harsen en plastics toe te voegen. Dergelijke kunststoffen kunnen lichaamseigen weefsels vervangen en helpen bij het herstel daarvan.

Verder heeft DSM een aanzienlijke technologische voorsprong opgebouwd met hoogwaardige halffabrikaten voor de elektronica- en autoindustrie. Het richtte in 2005 Biomedical op om de onderliggende technologische kennis naar de medische markt te brengen. Daarvoor werkt DSM wereldwijd samen met biotechnologiebedrijven. De Nederlandse spelen daarbij een beperkte rol terwijl onze overheid veel geld steekt in research op juist dit gebied.

Naast biocoatingsmaterialen heeft Biomedical nieuwe biomaterialen ontwikkeld zoals een nieuwe polyethyleen voor kunstheupen en knieen. De jaaromzet wereldwijd van dergelijke kunstgewrichten is € 10 mrd. Meerdere buitenlandse biotechnologiebedrijven evalueren nu dit nieuwe polymeer om tot betere kunstgewrichten te komen. Het nieuwe polyethyleen heeft een verbeterde vernettingschemie waarmee het materiaal sterker en stabieler wordt zonder in te leveren op slijtagevastheid.

Deze vernieuwing kan de komende jaren de polyethyleen, die nu gangbaar is in kunstgewrichten, vervangen. De huidige vezels veroorzaken loslating van kunstgewrichten. Het nieuwe materiaal voorkomt dit en is bovendien makkelijker te steriliseren. Het is jammer dat Nederlandse biotechbedrijven bij deze belangrijke innovatie de boot hebben gemist.

Dit artikel is ook geplaatst in het FD

Vorig artikelBehandeling hiv kan met minder medicijnen
Volgend artikelMeer vergiftigingen door partydrugs GHB en GBL
Wim Huppes kreeg in april 2008 te horen dat hij prostaatkanker had in een vergevorderd stadium. Zijn prostaat werd operatief verwijderd, en wat hem betrof stopte de reguliere behandeling daar. Met zijn kennis van de geneeskunde, hij werkte tot 1989 als internist in een ziekenhuis, ging Huppes experimenteren met medicijnen. Na twee experimenten met andere middelen probeerde hij dichloorazijn. Huppes kwam niet zelf op het idee om het middel te proberen. ‘Twee neven raadden het me aan, onafhankelijk van elkaar. De een leidt een medisch laboratorium, de ander is een alternatieve arts.’ Huppes kocht het middel bij een chemische groothandel. Huppes mocht daar grondstoffen kopen omdat hij eerder als onderzoeker in een biotechnologisch laboratorium werkte. Belangrijker is dat hij nog leeft. Waar met reguliere bestraling en chemotherapie de dood volgens hem misschien enkele maanden zou zijn tegengehouden, is hij inmiddels ruim een jaar na de diagnose kanker nog steeds in leven en weer aan het werk. Zijn ziekte bleek, ironisch genoeg, een voorbeeld te zijn van wat er mis is in de reguliere zorg – waarover hij voor hij kanker bleek te hebben een boek aan het schrijven was. We zijn de klos verscheen in april. In het boek stelt Huppes dat in het huidige zorgstelsel de ontwikkeling van nieuwe behandelingen niet goed mogelijk is omdat het stelsel te bureaucratisch is en verstrikt in een ‘doolhof van regels’. Volgens Huppes, kennismedewerker bij het College voor Zorgverzekeringen, is het gevolg dat de zorg geen innovatieve sector is en dat dus iedereen een standaardbehandeling krijgt. Die is voor zo’n 85 procent van de zieken niet optimaal. Sterker nog: ‘Artsen werken volgens richtlijnen en schrijven patiënten behandelingen voor die zij vaak niet op zichzelf zouden toepassen.’ Bij mannen met uitgezaaide prostaatkanker wordt het bekken bestraald, ook als hun levensverwachting nihil is. ‘De patiënten hebben daardoor 13 procent minder kans op pijn in het bekken maar moeten er wel vaak voor naar het ziekenhuis en ervaren vervelende bijwerkingen, zoals pijn en bloed bij de ontlasting en tijdens het plassen. Bovendien staat de uitkomst vast: mensen gaan hoe dan ook dood.’ Huppes stelt voor om ook alternatieve methoden te testen in de kennisbanken. ‘Als mensen positieve effecten melden van behandelingen, kunnen deze wat mij betreft worden toegepast. Volgens mij kan dit eenvoudig omdat de door mij voorgestelde kennisbanken gaan monitoren en rapporteren wat het effect, de veiligheid en het nut is van de zorg.’ Huppes schijft ook voor het Financieel Dagblad