Etnische verschillen in benoemen van probleemgedrag bij kleuters

79122295Promovenda Floor Bevaart: “Getrapt systeem van geestelijke jeugdgezondheidszorg is wenselijk.”
Nederlandse kinderen maken vaker gebruik van gespecialiseerde Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) dan niet-Nederlandse kinderen met vergelijkbaar probleemgedrag. Laagdrempelige zorg voor probleemgedrag bij schoolgaande kinderen verdient meer aandacht. Een getrapt systeem zou de voorkeur verdienen, waarbij de school een belangrijke rol moet spelen. Dit en meer concludeert Floor Bevaart in haar proefschrift, waar ze op 12 maart op promoveert.

Kinderen uit etnische minderheidsgroepen maken minder gebruik van specialistische geestelijke gezondheidszorg dan Nederlandse kinderen voor probleemgedrag, zoals angst, concentratieproblemen en agressief gedrag. Ouders uit etnische minderheidsgroepen benoemen minder vaak probleemgedrag bij hun kinderen dan Nederlandse ouders. Deze etnische verschillen in interpretatie van problemen leiden echter niet tot verschillen in doorverwijzing door jeugdartsen bij het periodiek gezondheidsonderzoek (PGO). Maar ondanks gelijke doorverwijzing maken kinderen uit etnische minderheidsgroepen toch minder vaak gebruik van specialistische geestelijke gezondheidszorg.

Floor Bevaart onderzocht gedurende twee jaar het zorgtraject van 1.700 kleuters met probleemgedrag. Bevaart deed haar onderzoek tijdens haar aanstelling aan de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie/psychologie van het Erasmus MC–Sophia Kinderziekenhuis in nauwe samenwerking met de GGD Rotterdam-Rijnmond.

Bevaart concludeert dat scholen beter betrokken kunnen worden bij het zoeken van geschikte zorg voor een kind. De school is in veel gevallen een goed startpunt voor het zorgtraject. Leerkrachten zijn waardevolle informanten voor zorgprofessionals, want de door de leerkracht waargenomen ernst van probleemgedrag is voorspellend voor zowel de doorverwijzing van kleuters via het PGO, als voor het gebruik van specialistische zorg. Verder blijkt dat ouders uit etnische minderheidsgroepen de problemen van hun kind vaak verklaren vanuit omgevingsfactoren, zoals gepest worden op school. Deze ouders geven eerder de voorkeur aan niet-medische laagdrempelige zorg, zoals maatschappelijk werk of een psycholoog op school. Nederlandse ouders daarentegen, noemen vaker biologische of genetische verklaringen. Zij geven meer de voorkeur aan specialistische geestelijke gezondheidszorg voor hun kind. Deze bevindingen ondersteunen de wenselijkheid van een getrapt systeem van zorg, waarin een kind met probleemgedrag eerst laagdrempelige hulp krijgt in een vertrouwde omgeving bijvoorbeeld op school. Wanneer dit onvoldoende helpt, stroomt het kind door naar zwaardere, specialistische zorg. Op deze manier sluiten de verschillende soorten zorg beter op elkaar aan, is toegang tot zorg minder gecompliceerd en kunnen meer problemen opgelost worden voordat specialistische zorg nodig is.

Bevaart: “Naast de vraag hoe zorg het beste georganiseerd kan worden, is er de vraag voor wie zorg georganiseerd moet worden. Slechts 9% van de hele onderzoeksgroep, ongeacht etniciteit, blijkt bij probleemgedrag gebruik te maken van specialistische geestelijke gezondheidszorg. Dit roept de vraag op of sprake is van een grote groep kinderen met een onvervulde zorgbehoefte, terwijl het maatschappelijk debat zich recentelijk meer richt op de vraag of sprake is van onnodig zorggebruik, mede veroorzaakt door ‘overdiagnose’ van probleemgedrag. Door verschillende definities van zorgbehoefte en zorggebruik te gebruiken, laten we zien dat de onvervulde zorgbehoefte bij kinderen met probleemgedrag kan variëren tussen 8% en 91%. Verder onderzoek is belangrijk, om vast te stellen welke definitie het beste past bij de ontwikkeling van zorgbeleid.”
Bron: Erasmus MC