Heldere normen schragen draagvlak basispakket

Array

Voor het basispakket moet de overheid financiele, medische en politieke normen maken. Alleen zo blijft de basiszorg betaalbaar en wordt de ontwikkeling van additionele pakketten gestimuleerd. Zo moet er een bovengrens komen aan te declareren schade. Als zo’n financiele ‘stop loss’-norm stel ik €120.000 voor over een periode van vier jaar. Als daarin die uitgavengrens aan declaraties is bereikt, mag een verzekeraar verdere declaraties weigeren te betalen. Het is vreemd dat zo’n afspraak er nu niet is. Bij andere risico’s, zoals brand en inbraak, zijn de declaratiegrenzen altijd wel goed omschreven, omdat het risico anders niet verzekerbaar is.

Het voordeel voor verzekeraars van een hoog normbedrag is dat de overheid zich dan nog maar zelden met de operationele details van hun pakketten hoeft te bemoeien. Het is ook gunstig voor de overheid, omdat het voor een rijk land als Nederland ongepast is weinig

te doen voor zieke mensen. Burgers willen een hoog bedrag, omdat zij geen significant overlevingsverschil willen tussen rijke en arme mensen.

Nederlanders hebben een genuanceerde mening over de gedekte zorgverlening in het verplichte basispakket. De overheid biedt de branche nu weinig ruimte daarvan kennis te nemen. Met een ‘stop loss’-norm kunnen zorgverzekeraars in de toekomst echte marketing bedrijven. De financiele norm maakt dat verzekerden calculerend omgaan met een heldere

grens aan de betaalbaarheid. Als de zorg voor terminale longslijtage buiten het basispakket valt, moeten rokers eerder stoppen met roken of andere initiatieven ontplooien.

Naast de financiele norm is er een medische norm nodig om af te dwingen dat de uitgaven zinvol zijn voor de gezondheid. Dit houdt het basispakket goedkoop. Ik stel voor dat door behandeling de kans op overleving of het voorkómen van ernstige invaliditeit in vijf jaar tijd met minstens 5% moet stijgen. Het betekent dat enkele kankerbehandelingen met weinig levenswinst daardoor buiten het basispakket vallen. Vooraf moet dit helder naar verzekerden worden gecommuniceerd, zodat zij, indien gewenst, additionele verzekeringen kunnen afsluiten.

Deze medische norm sluit veel niet-vitale, maar wel bekende aandoeningen als rugpijn, jeugdpuistjes, hoofdpijn, darmkrampen en lichte bronchitis uit van vergoeding uit het basispakket. Dit geldt ook voor producten als de rolstoel, de pil en de sportschool. Zo’n nieuwe aanpak moedigt aan om bepaalde extra zorgpakketten te nemen, zoals voor ‘alledaagse vragen die de huisarts kan oplossen’. Verzekeraars zijn goed in het ontwikkelen van additionele pakketten. Zij doen dit bijvoorbeeld al voor poliklinisch bevallen. De ruimte voor individuele keuzes maakt de vraag naar zorg concreet en de zorgsector dynamischer.

Naast financiele en medische normen is het ook belangrijk om ethische normen te hebben. Zo wordt bijvoorbeeld terminale longslijtage bij enkelen niet door roken veroorzaakt, maar door genetische aanleg. Als longtransplantatie te duur blijkt, kan de politiek overwegen hen deze extra zorg te vergoeden.

Voordeel van een echt basispakket is dat de premie omlaag kan, zonder dat de levensverwachting noemenswaardig wordt bekort. Ik verwacht dat met de invoering van normen voor het basispakket het draagvlak voor de collectief omgeslagen premie zal toenemen. Want de kosten worden dan gemaakt voor mensen bij wie de zorg echt zin heeft.

Dit artikel is op 08-06-2009 © ook geplaatst in Het Financieele Dagblad

Huppes Kemp

Wim Huppes kreeg in april 2008 te horen dat hij prostaatkanker had in een vergevorderd stadium. Zijn prostaat werd operatief verwijderd, en wat hem betrof stopte de reguliere behandeling daar. Met zijn kennis van de geneeskunde, hij werkte tot 1989 als internist in een ziekenhuis, ging Huppes experimenteren met medicijnen.

Na twee experimenten met andere middelen probeerde hij dichloorazijn.

Huppes kwam niet zelf op het idee om het middel te proberen. ‘Twee neven raadden het me aan, onafhankelijk van elkaar. De een leidt een medisch laboratorium, de ander is een alternatieve arts.’ Huppes kocht het middel bij een chemische groothandel. Huppes mocht daar grondstoffen kopen omdat hij eerder als onderzoeker in een biotechnologisch laboratorium werkte.
Belangrijker is dat hij nog leeft. Waar met reguliere bestraling en chemotherapie de dood volgens hem misschien enkele maanden zou zijn tegengehouden, is hij inmiddels ruim een jaar na de diagnose kanker nog steeds in leven en weer aan het werk.

Zijn ziekte bleek, ironisch genoeg, een voorbeeld te zijn van wat er mis is in de reguliere zorg – waarover hij voor hij kanker bleek te hebben een boek aan het schrijven was. We zijn de klos verscheen in april. In het boek stelt Huppes dat in het huidige zorgstelsel de ontwikkeling van nieuwe behandelingen niet goed mogelijk is omdat het stelsel te bureaucratisch is en verstrikt in een ‘doolhof van regels’.

Volgens Huppes, kennismedewerker bij het College voor Zorgverzekeringen, is het gevolg dat de zorg geen innovatieve sector is en dat dus iedereen een standaardbehandeling krijgt. Die is voor zo’n 85 procent van de zieken niet optimaal. Sterker nog: ‘Artsen werken volgens richtlijnen en schrijven patiënten behandelingen voor die zij vaak niet op zichzelf zouden toepassen.’ Bij mannen met uitgezaaide prostaatkanker wordt het bekken bestraald, ook als hun levensverwachting nihil is. ‘De patiënten hebben daardoor 13 procent minder kans op pijn in het bekken maar moeten er wel vaak voor naar het ziekenhuis en ervaren vervelende bijwerkingen, zoals pijn en bloed bij de ontlasting en tijdens het plassen. Bovendien staat de uitkomst vast: mensen gaan hoe dan ook dood.’

Huppes stelt voor om ook alternatieve methoden te testen in de kennisbanken. ‘Als mensen positieve effecten melden van behandelingen, kunnen deze wat mij betreft worden toegepast. Volgens mij kan dit eenvoudig omdat de door mij voorgestelde kennisbanken gaan monitoren en rapporteren wat het effect, de veiligheid en het nut is van de zorg.’

Huppes schijft ook voor het Financieel Dagblad

Recente artikelen